Leerlingen helpen bij het leren van een taal: Scaffolding

Een vorm van ondersteuning die je als leerkracht aan je leerlingen kunt bieden als ze bezig zijn met de Engelse taal, is ´scaffolding´. Onder scaffolding wordt verstaan: “het repertoire aan didactisch handelen dat een docent kan inzetten om een leerling in staat te stellen uiteindelijk zelfstandig een (taal)taak uit te voeren”.

Een ´scaffold´ betekent letterlijk een steiger: je bouwt steigers om de leerlingen te helpen, maar langzamerhand breek je steigers af. Stel je voor dat je begint met het thema Middle Ages. Dan zul je in het begin nog veel woorden, plaatjes en voorwerpen gebruiken om de leerlingen te helpen met de vocabulaire. Je zult ze feedback geven, teksten uitdelen, filmpjes laten zien en strategieën aanbieden. Naarmate het thema vordert, kunnen de leerlingen steeds meer zelf en kun jij als leerkracht de steigers dus langzaam afbreken.

Essentieel hierbij is dat het van jou als leerkracht een andere houding vraagt: niet die van quizmaster (je stelt een vraag aan de leerling en je hebt het gewenste antwoord al in je hoofd), maar van mede-opbouwer van kennis. Dit doe je door open vragen te stellen, niet meteen in te vullen wat de leerling probeert te zeggen of schrijven, de leerling de kans te geven om zelf te herformuleren. Scaffolding kan dus de vorm hebben van interactie tussen leerkracht en leerling in een gesprek, maar ook door het geven van commentaar bij een geschreven stuk (geen rode pen, maar aanwijzingen om de tekst te verbeteren). Hieronder zie je een aantal voorbeelden voor de docent Engels (voornamelijk gericht op voortgezet onderwijs, maar ook zeker te gebruiken in de bovenbouw van het basisonderwijs):

-Leerlingen bewust maken van tekstkenmerken (“How do you know this is a newspaper article / poem /cooking recipe / love letter / email?”).

Bron: Ms Houser

-Leerlingen bewust maken van standaardconventies (“What do you expect people to say when they greet somebody new, when they start a presentation etc.”).
-Leerlingen de taak leren aanpakken volgens een vaste systematiek (“Use this form to divide the given words in negative, neutral and positive expressions – which words would you use in a film review?”), dus door gebruik te maken van information grids.
-Leerlingen voorbeelden aanreiken, door visualisatie met video’s, foto´s of plaatjes  (“Look at this video showing how someone gives a presentation – what strikes you about it?”).
–Leerlingen strategieën bijbrengen om problemen op te lossen, zoals woordraadstrategieën (“How can you figure out what the meaning of this word is?”) in plaats van de vertaling van het woord te geven.
–Samen met de leerlingen een voorbeeld construeren van een taak: modelling the task (“Who can think of a way to start a love letter? What could we write next? How could we end this letter?”)

Verder kun je nog correct formuleren (bijv. herhalen wat een leerling zegt maar dan zonder grammaticale fouten), meerdere opties aanbieden (´was it very hot or cold that day?´) en woorden aanvullen als een leerling niet op het Engelse woord kan komen (´you mean…?´).

Het meeste rendement haal je hieruit door met je leerlingen in de doeltaal te spreken; zo wordt al snel duidelijk wat leerlingen al wel en niet kunnen zeggen en waar ze nog wat scaffolds nodig hebben.

LEES OOK: DIFFERENTIEREN

Bron: Handboek vvto (Alessandra Corda, Karel Philipsen, Rick de Graaff) & Een sterk sTAALtje Engels (Judith Richters, Maartje Visser)

error: