Rekenen in het Engels (deel 2)

In deze blog geef ik je een aantal lesactiviteiten voor de midden- en bovenbouw, bij het thema ´numbers and maths´.

LEES OOK: REKENEN IN HET ENGELS (DEEL 1)

1. Laat de leerlingen hun telefoonnummer opschrijven. De briefjes worden ingeleverd en willekeurig weer uitgedeeld. Elke leerling leest hardop een telefoonnummer: wie herkent zijn / haar nummer?  Als leerlingen nog moeite hebben met het uitspreken van de getallen, kun je ook zelf de telefoonnummers oplezen. (met dank aan Alice Schotanus, Louise de Colignyschool)

2. Leerlingen tekenen getallen op elkaars rug en raden om welk getal het gaat. Voor leerlingen die moeite hebben met Engels, blijft het bij tientallen. Leerlingen die meer uitdaging willen, kunnen honderd- en duizendtallen raden. Het getal mag pas geraden worden als de leerling die tekent vraagt: ´What´s the number?´ (met dank aan Alice Schotanus, Louise de Colignyschool)

3. Variatie op ´levend memory´: Twee leerlingen gaan even naar de gang. De overige leerlingen krijgen een getal. De twee leerlingen komen terug en krijgen om de beurt van de leerkracht een getal. Dit getal is de uitkomst van twee opgetelde getallen in de klas. De bedoeling is dat de twee leerlingen steeds twee klasgenoten aanwijzen en onthouden wie welk getal heAfbeeldingeft. Als de som klopt, krijgen ze een punt. Dus: leerling A krijgt getal fourteen. Hij wijst een leerling in de groep aan. Deze zegt eight. Nu moet leerling A een andere leerling vinden met het getal six, want 8+6=14. Als dat lukt, heeft hij een punt en is leerling B aan de beurt.

LEES OOK: REKENEN IN HET ENGELS (DEEL 3)

4. Puzzelend rekenen in tweetallen: Leerling A krijgt een half ingevulde kruiswoordpuzzel met antwoorden die leerling B nodig heeft. Leerling B krijgt dezelfde kruiswoordpuzzel, maar dan met de andere ingevulde helft. Hij heeft de antwoorden van leerling A. De leerlingen gaan elkaar vragen stellen om zo hun eigen kruiswoordpuzzel compleet te maken. Het gaat hierbij dus niet alleen om het rekenen, maar ook om het oefenen van de spreekvaardigheid. Leerling A vraagt: ´What is two down?`. Leerling B antwoordt: ´seven plus three´. Leerling A rekent de som uit en vult ´ten´ in bij 2 verticaal. Leerling B vraagt: ´What is four across?´. Leerling A antwoordt: ´thirty minus twelve´. Leerling B rekent de som uit en vult ´eighteen´ in bij 4 horizontaal. (Bron: Cambridge Primary Communication Box). Wil je het werkblad van deze spreekvaardigheidsopdracht graag hebben? Mail dan naar [email protected]

5. Stand in the correct order: Geef leerlingen een sommetje op een kaartje. Deze rekenen ze in stilte uit. Nu moeten ze met elkaar overleggen (in het Engels uiteraard) welke uitkomsten ze hebben: ´I´ve got 6. What have you got?´, ´I´ve got 10, so mine is higher than yours. I have to stand here.´. De bedoeling is dat de leerlinge met de laagste uitkomst helemaal links gaat staan en de hoogste uitkomst helemaal rechts. Zo ontstaat er een lange rij van leerlingen. Als iedereen staat, vraag je of ze hun antwoord hardop willen zeggen. Zo kun je checken of de leerlingen op de juiste volgorde staan.

 

1 gedachte over “Rekenen in het Engels (deel 2)”

Reacties zijn gesloten.

error: