Engels op de basisschool is sinds 1986 wettelijk verplicht vanaf groep 7. Toch zijn er steeds meer scholen die met Engels beginnen in groep 1. Waarom is dat eigenlijk zo? Heeft dat dan geen negatief effect op het leren van Nederlands? En hoe pak je dat dan aan? Wat hebben kleuters nodig om een tweede taal te verwerven en wat werkt juist averechts? In dit artikel deel ik enkele belangrijke inzichten.
Kleuters versus oudere kinderen
1. Klanksystemen: de hersenen van kleuters zijn nog heel gevoelig voor het aanleren van klanksystemen. Ze pikken klanken razendsnel op, óók klanken die in het Nederlands of in hun moedertaal niet voorkomen, zoals de th. Na het zesde of zevende jaar wordt dat een stuk lastiger.Praktijk: zing een liedje over de lichaamsdelen, waarbij je this is en these are gebruikt: “These are my fingers, this is my nose. This is my belly and these are my toes”. Zonder uitleg oefenen leerlingen de th-klank.
2. Onbewust: jonge kinderen verwerven taal onbewust, precies zoals ze ook hun moedertaal leren. Dat gebeurt door blootstelling aan veel en gevarieerde input en via interactie.
Praktijk: zing tijdens het naar buitengaan elke dag een Engels liedje: “Let’s go outside, it’s time to play! Get your coat, it’s cold today!“. Gebruik gebaren, de context doet het werk.
3. Concrete denkers: kleuters leren via handelingen, zintuigen en herhaling in context. Grammaticaregels of losse woordjes aanleren heeft dan ook weinig zin: dat soort abstract denken ontwikkelt zich pas rond het tiende jaar. Als je Engels spelenderwijs en thematisch aanbiedt, met gebruik van voorwerpen, beweging, een handpop en visueel materiaal, sluit je goed aan op hun manier van denken en leren.
Praktijk: introduceer woorden niet door ze op het bord te schrijven of alleen maar een plaatje te laten zien, maar door kinderen het te laten ervaren. Bijvoorbeeld heavy & light: een leerling pakt een zwaar boek of heeft een zware tas: “Wow, that’s heavy!“. Een andere leerling heeft een lege tas: “Your bag is very light!“. De lichamelijke ervaring verankert de woorden.
4. Affectieve filter: jonge kinderen hebben van nature een lage affectieve filter. Een wat 🧐? Als een kind zich veilig en ontspannen voelt, staat het als het ware open voor de taal (de filter is laag). Zodra er druk, angst of stress bij komt kijken, gaat de filter omhoog. Jonge kinderen schamen zich nauwelijks voor fouten. Ze denken niet na over hun uitspraak of over het produceren van een perfecte Engelse zin. Ze doen gewoon mee. Ze spelen. Dat verandert naarmate kinderen ouder worden: rond een jaar of negen neemt het zelfbewustzijn toe en gaat de affectieve filter omhoog. Omdat kleuters die lage filter hebben, is spel een ideale manier voor taalverwerving: kinderen zijn gemotiveerd, er vindt herhaling zonder verveling plaats en het gebeurt in een betekenisvolle context. Een relaxte, speelse leerkracht die zelf ook fouten durft te maken en daar luchtig mee omgaat, houdt de affectieve filter laag. Een leerkracht die steeds corrigeert, hoge verwachtingen heeft of beoordeelt, duwt de filter omhoog.
Praktijk: tijdens een rollenspel in de winkelhoek doet een kind alsof het een brood koopt. Jij speelt mee als winkelier: “How can I help you?” Het kind zegt iets wat op bread lijkt. Jij geeft het brood en zegt: “Here’s your bread!” of je vraagt eerst: “You’d like some bread?” (wijzend naar het brood). Door samen te spelen zonder expliciete correctie, wordt de taal geleerd.
5. Stille periode: jonge kinderen produceren een nieuwe taal vaak pas nadat ze er een tijdje aan blootgesteld zijn geweest. Deze periode van luisteren en de taal in zich opnemen zonder zelf te spreken is heel normaal. Het is zelfs een teken dat taalverwerving plaatsvindt! Oudere kinderen, tieners en volwassenen voelen die druk om te presteren veel sterker en hebben het gevoel dat ze de taal móeten produceren. Kleuters zitten gewoon in de kring, nemen alles in zich op en kiezen hun eigen moment om mee te doen.
Praktijk: je nodigt een bepaalde leerling uit tot antwoorden in het Engels, maar zij blijft maanden stil. Je forceert niets. Dan, op een ochtend, wijst ze naar buiten en zegt: “Rain”. Dat moment komt vanzelf.
LEES OOK: 12 YOUTUBE KANALEN VOOR KLEUTERS
Rijke taalomgeving

1. Frequentie. Kies liever vijf verschillende momenten in de week dan één vaste Engelse les. Of plan één les van ongeveer een half uur en integreer Engels verder zoveel mogelijk in je dagelijks onderwijs. Op het vaste moment kun je bijvoorbeeld een Engels vlaggetje neerzetten, een Engelse hoed opzetten of een Engelse handpop tevoorschijn laten komen. Je leest een Engels prentenboek voor, je zingt en beweegt mee met een liedje en je doet een klassikaal spel. Je zorgt voor voldoende variatie en je betrekt leerlingen continu bij het thema. Vervolgens verweef je Engels in je dagelijkse routines, waarmee je een rijke taalomgeving creëert. Bijvoorbeeld:
- Gebruik Engelse zinnen of zing Engelse liedjes tijdens routines: “Everybody, line up, please!”, “What’s the weather like?”, “Who’s missing this morning?, “How are you today?”, “What’s in your lunch box?”. Routines zijn ideaal voor taalverwerving, juist omdat ze voorspelbaar zijn. Kinderen weten al welke actie ze moeten uitvoeren (wat de bedoeling is) en kunnen zich daardoor richten op de taal zelf.
- Zing Engelse liedjes als overgang tussen activiteiten.
- Zet Engelse prentenboeken in de leeshoek en lees er regelmatig eentje voor (bijvoorbeeld boeken die je eerst in het Nederlands hebt gelezen).
- Werk thematisch: als Engels verweven is in een betekenisvol thema, denk aan dieren, het weer, de seizoenen, hoeft een kind niet te raden wat je bedoelt. De context maakt de taal begrijpelijk en die begrijpelijke input is precies wat taalverwerving op gang brengt.
2. Kwaliteit. De taalvaardigheid van de leerkracht speelt een belangrijke rol. Je bent geen instructeur die regels uitlegt, maar een actieve taalgebruiker. Iemand die Engels levend maakt. Hoe gemakkelijker en spontaner jij Engels spreekt, hoe meer input de leerlingen krijgen. Zo worden ze blootgesteld aan complete zinnen en verhalen en niet alleen aan losse woorden. Bijvoorbeeld:
- Als je alleen dog zegt en het plaatje aanwijst, ontvangen leerlingen geen context, klankpatronen en zinnen. Zeg je: “Oh look, a dog! A big brown dog. He’s running so fast!“, dan krijgen leerlingen veel meer taalinput.
- Je reageert in het Engels op wat kinderen aan het doen zijn: “You’re building a tower! A big tower! That looks great!“.
- Doe actief mee als je een liedje afspeelt (auditief en/of visueel). Stimuleer leerlingen om jou na te doen en geef complimenten. Een scherm reageert niet op wat een kind doet, jij kan dat wel.
- Varieer in input: laat het thema terugkomen in een prentenboek en liedje, in voorwerpen en flashcards, in spelletjes en in vrij spelen.
- Recasting is een goede manier om leerlingen van feedback te voorzien. Je herhaalt wat het kind zegt, maar dan in de juiste vorm, zonder het te corrigeren: “I goed to swimming bad”, “Oh, you went to the swimming pool? How wonderful!” Geen expliciete correctie, wel een correct model.
Hoe zit het met het taalniveau van de leerkracht?
Het is niet doorslaggevend, maar zeker wel relevant. Wanneer je zelf geen volzinnen kunt maken in het Engels, zullen leerlingen niet voldoende input ontvangen. Dit kun je gedeeltelijk compenseren door veel gebruik te maken van filmpjes, audiofragmenten en liedjes of van een duo die makkelijk Engels spreekt. Toch wegen attitude en bereidheid zwaarder dan perfectie. Een leerkracht met niveau A2 die relaxed en vrolijk is en veel interactie uitlokt, draagt meer bij dan een leerkracht met niveau C1 die amper contact maakt met leerlingen.
3. Interactiviteit. Je biedt de taal niet alleen op diverse manieren aan, maar je lokt het ook uit. Dat wil niet zeggen dat álle kleuters ook daadwerkelijk Engels spreken (denk aan de stille periode), maar je geeft hen wel de kans. Ook in het Nederlands of Dunglish antwoorden, is prima (“I snep it not“). Tijdens het pauzehapje, houd je bijvoorbeeld een appel omhoog en je vraagt: “What’s this?“. Een kind roept: “Een appel!“. Je knikt en zegt: “Yes! An apple. A red apple. Do you like apples?” Het kind knikt enthousiast. “You do? I love apples too!“. Nu heb je een gesprekje gevoerd. Het kind produceerde misschien geen Engels, maar was volledig communicatief betrokken. En dat is precies waar het om gaat.
BEKIJK: ONLINE CURSUS ‘VAN PRENTENBOEK NAAR LESSENSERIE’
Didactiek

Er zijn verschillende manieren om een taal aan te bieden en te leren. De basis is de Schijf van vijf voor vreemde talen van Gerard Westhoff. Meer hierover leer je in de (online) cursussen van Spelen met Engels. Verder pas je de volgende didactiek toe:
- Total Physical Response (TPR): je koppelt taal aan beweging en handeling. Kleuters doen jou graag na, dus hoe meer je werkt met gebaren, hoe makkelijker zij de taal overnemen.
- Herhaling via routines: vaste patronen en vaste zinnen geven kinderen houvast en versnellen verwerving.
- Prentenboeken met voorspelbare structuur (en op rijm): kinderen kunnen de context raden en daardoor de taal beter plaatsen.
- Gebruik van een handpop of toneelspel: kleuters maken nog geen onderscheid tussen werkelijkheid en fantasie en gaan hier volledig in op.
- Kinderen actief betrekken: niet passief luisteren en stilzitten, maar interactief en communicatief.
Je hoeft je geen zorgen te maken of het een negatief effect heeft op het leren van Nederlands. Dat is een (onterecht) veelgehoord argument om niet vroeg te beginnen met Engels. Zolang de moedertaal goed ontwikkeld is én goed ondersteund blijft, kun je prima een tweede of derde taal aanleren. Het kan zelfs een voordeel opleveren: kinderen die twee (of meer) talen leren worden zich eerder bewust dat taal een systeem is en dat woorden arbitrair zijn. Dit meta linguïstische bewustzijn heeft weer een positief effect op de moedertaalontwikkeling.

Als een kind de moedertaal nog níet sterk genoeg heeft ontwikkeld en thuis weinig taalstimulatie krijgt, kan het leren van een nieuwe taal wél lastig zijn. Er is dan niet voldoende beschikbare cognitieve ruimte. Dit speelt met name bij kinderen met een taalachterstand (in het Nederlands of in een andere thuistaal).
Laat kleuters dus vooral lekker spelen met Engels. Geniet van hun enthousiasme en onbevangenheid. En sluit zoveel mogelijk aan bij de thema’s die je in het Nederlands doet.
Ik hoop dat je met bovenstaande tips een beter beeld hebt van Engels met kleuters. Ik ben benieuwd wat jij al toepast in de praktijk en wat je nog zou willen verbeteren. Of misschien zag je er altijd tegenop om Engels te geven en wil je het nu wel voorzichtig eens gaan proberen.Wil je hierbij begeleid worden? Neem gerust eens vrijblijvend contact met mij op en ik vertel je over de diverse mogelijkheden.
Bronnen:
The input hypothesis – Dr. Stephan Krashen
Principles and practice in second language acquisition – Dr. Stephan Krashen
Engels in het basisonderwijs – M. Bodde-Alderlieste & L. van Mulligen