Dear zoo

Kinderen zijn dol op dieren. Het thema ‘Animals’ is daarom een geliefd thema in het basisonderwijs. Of het nou gaat om pets, farm animals of wild animals, het maakt niet uit: dit onderwerp staat dichtbij het kind en sluit perfect aan bij zijn of haar belevingswereld. In dit artikel geven we je inspiratie bij het pop-up boek ‘Dear Zoo’, geschreven door Rod Campbell. Een grappig boek dat door eenvoud in taal en tekeningen uitstekend te gebruiken is tijdens je Engelse lessen in groep 1 t/m 4. Het boek is te koop bij bol.com en een animatie van het boek is hier te vinden.

LEES OOK: animals II

Voordat je gaat voorlezen

Laat een praatplaat zien van de dierentuin. Zeg: “This is a picture of a zoo. Look, this is a…. (geef een voorbeeld) What animals do you see?”. Geef de kinderen de tijd om te kijken en te antwoorden. Als een kind een dier in het Nederlands zegt, reageer dan met: “Yes, very good, that’s a….(het Engelse woord van het dier)” of vraag of iemand anders het Engelse woord misschien weet. Herhaal het woord ‘Zoo’ regelmatig in een zin. Op deze manier activeer je al een beetje hun voorkennis.

Vertel in het Engels dat je een boek hebt over de dierentuin. Laat het boek aan de voor- en achterkant zien. Kunnen ze al raden welk dier er in de kooi zit? En welke dieren herkennen zij op de achterkant? Als de kinderen nog niet zoveel Engelse woorden kennen, kan je zelf vragen stellen, bijvoorbeeld: “Do you see a cat? Do you see a dog? Do you see a snake? Is it a blue monkey?” Ze vinden het vooral grappig als ze een aantal keren ‘No!’ kunnen zeggen.

Maak of bestel alvast flashcards van de kernwoorden uit het boekje: zoo, elephant, giraffe, lion, camel, snake, monkey, frog, puppy, big, tall,  fierce, grumpy, scary (scared), jumpy (jump). Voor naughty is het wellicht moeilijk om een geschikte flashcard te vinden.

BESTEL: FLASHCARDS WILD ANIMALS

Tijdens het voorlezen

De eerste keer neem je alle tijd om het boek voor te lezen. Het leuke van Dear Zoo is, is dat het een flapjesboek is. Kinderen in groep 1 en 2 vinden dat natuurlijk fantastisch! (en stiekem in groep 3 en 4 ook nog). Je kunt zelf de flapjes omhoogtillen, maar waarom zou je het niet aan de kinderen vragen: “Who wants to lift the flap?” Je kan kinderen ook stimuleren om zelf deze vraag te stellen: “Can I lift the flap, please?”

Het boek heeft weinig tekst en maakt gebruik van herhalingen. Je zult merken dat de kinderen de taal supersnel oppikken en het uitnodigend zullen vinden om bijvoorbeeld het zinnetje “I sent him back!” mee ‘voor te lezen’. Stimuleer dit ook en maak hierbij gebruik van gebaren (wijs bijvoorbeeld met je arm naar de deur).

Wil je wat meer variatie aanbrengen bij de manier waarop je het verhaal voorleest, en wil je minder gebruik maken van ‘een plat’ boek, dan is wellicht ‘the story bag’ een leuk idee. Kijk hier maar eens hoe je dit zou kunnen doen.

Zodra kinderen het boekje beter kennen (en dat is snel), kan je tijdens het voorlezen extra activiteiten laten uitvoeren. Hier zijn een viertal ideeën:

1. Geef een aantal kinderen of elk kind een flashcard van een dier. Als zij tijdens het verhaal hun dier horen, mogen zij opstaan, het dier uitbeelden en het bijhorende woord ‘too big, too tall, too fierce’, etc. Bij de zin:” I sent him back”, moeten ze weer gaan zitten.

2. Laat een aantal kinderen het verhaal naspelen. Geef hen een kroon met daarop de rol die erbij hoort: het kind dat de brief schrijft, de chagrijnige kameel, etc. Deze werkvorm lijkt erg op de eerste, maar er zit net wat meer rollenspel en beweging in.

3. Lees het boek voor, maar laat bepaalde woorden weg. De kinderen vullen jouw zinnen aan: “I wrote to the…. To send me a….They send me a…. It was too…. So……..”. Dit kun je op een gewone manier doen, rappend, zingend, vol drama…..

4. In een later stadium kun je de kinderen zelf het verhaal laten voorlezen. Dit kan met behulp van het boek, maar ook met behulp van de flashcards. Sommige kinderen kunnen op een gegeven moment misschien al het hele boekje alleen opzeggen / voorlezen, anderen vinden het misschien prettiger om het gezamenlijk te doen. Een derde optie is om de zinnen te verdelen en dat elk kind zijn of haar deel voorleest.

LEES OOK: Van prentenboek naar Engelse les, deel 2.

Na het voorlezen

Uitbeelden:
Laat kinderen lekker bewegen en combineer de woorden van de dieren met werkwoorden: Walk like an elephant. Jump like a frog. Slither like a snake. Roar like a lion. Of laat ze een dier uitbeelden waarna de rest van de klas moet raden welk dier het is. Of beeld de emoties uit: grumpy, fierce, scared, happy, sad, angry. 

Voor degene die wel van een beetje uitdaging houdt: combineer bovenstaande ideeën: Roar like a happy lion, roar like a sad lion….. Jump like a grumpy frog. We voorspellen wat gezellige en rumoerige chaos in de klas, maar garanderen ook een hoge betrokkenheid!

Flashcards
Met flashcards kun je heel veel werkvormen doen. Laat de kaarten bijvoorbeeld langzaam tevoorschijn komen, waarbij de leerlingen moeten raden welk dier het is. Of je wappert juist heel snel met de kaart en stopt hem dan weg: What did you see? In de volgende blogs vind je nog veel meer ideeën: flashcards deel 1, flashcards deel 2, flashcards deel 3 en flashcards deel 4.

BESTEL: MEMORY WILD ANIMALS
BESTEL: DOMINO WILD ANIMALS

Tikspel
In de gymzaal of buiten kun je het spel ‘Zoo keeper’ spelen. Dit actieve tikspel gaat als volgt:

Leg ongeveer 5 matten verspreid door de gymzaal heen. Elke mat is een kooi. Leg de flashcard voor/ op de mat neer. Op elke mat/ in elke kooi één diersoort. Vraag: “Who wants to be a lion?” Kies een aantal kinderen uit. Zij moeten bij elkaar in de leeuwenkooi. Zo is er ook een kamelenkooi, een kikkerkooi, etc.  Zeg: “I am the zoo keeper. Go to sleep, lions! Go to sleep, camels”, etc. Als iedereen slaapt: “I am going to sleep too. And when I’m asleep, the …. (noem een dier) wake up and leave the cage…” Uiteraard wordt de dierenoppasser wakker van het lawaai van de losgebroken dieren en wil de dieren zo snel mogelijk terugbrengen naar de kooi. Dat doe je door te tikken.

In het begin zullen ze dit nog niet begrijpen, dus gebruik je lichaam om alles uit te beelden. Doe het voor. Ze begrijpen het snel genoeg.

Dear zoo heeft een eigen website en als je op het internet zoekt op de titel van het boek, kom je ontzettend veel ideeën tegen. Zoek ook eens op ‘afbeeldingen’.

LEES OOK: An adventure called gravity

CLIL activiteiten
Behalve dat er in dit boek allerlei dieren voorkomen, komen er ook rekenkundige begrippen in voor: Too big, too tall. Je kunt dit uitbreiden met woorden als small, heavy, light, short. Als je allerlei doosjes verzamelt met verschillende maten en je hebt speelgoeddieren in de klas, dan kun je er een meetactiviteit van maken: in welk doosje past de leeuw? Too big, too small, just right! Of laat dieren met elkaar vergelijken: Which animal is the smallest? The biggest? Vergelijken kan op vorm, op kleur, maar natuurlijk ook op gewicht. Pak er gerust een weegschaal bij!

BESTEL: BINGO WILD ANIMALS

Liedjes en fimpjes waar wij vrolijk van worden:

– Dear Zoo, een swingende versie van Kids nursery Rhymes and Songs
– Let’s go to the zoo van Super Simple Songs
– We’re going to the zoo van Kindergarten Songs
– Zoo song van Little Baby Bum
– Guessing Game van CheeriToons
– Zoo story van Steve and Maggie
– At the Zoo van Ben and Bella videobook
– The animal boogie van Barefoot books
Walking through the jungle van Super Simple Songs

BESTEL: REACTIESPEL WILD ANIMALS

Geschreven door Froukje Polman

error: