Flashcards (deel 1)

Flashcards (deel 1)

In het Nederlands worden ze flitskaarten genoemd: kaarten met plaatjes bij allerlei verschillende thema´s.  Behandel ik het thema ´food´? Dan komen de plaatjes van broccoli, ice cream, hamburger en apple tevoorschijn. Gaat het over ´transport´? Dan laat ik plaatjes van een car, bus, train en plane zien (of ik neem speelgoed mee!). Maar om nu alleen maar deze plaatjes te laten zien en daarna weer weg te leggen, zou wel erg saai en ook zonde zijn! Wat kun je eigenlijk allemaal met flashcards doen? Hier vijf werkvormen:

-Laat het plaatje zien, zeg het woord op een speciale manier en laat de leerlingen het woord op precies dezelfde manier nazeggen. Bijvoorbeeld heel hard, fluisterend, verveeld, hoog, laag, spannend, bang, lachend, langzaam, snel etc. Je moet het wel durven, maar je leerlingen zullen het geweldig vinden.

-Laat het plaatje heel langzaam tevoorschijn komen (door een papiertje langzaam naar beneden te schuiven), zodat de leerlingen moeten raden wat er tevoorschijn komt. Spannend! Op deze site kun je powerpoints per thema downloaden, waarbij je steeds een vakje wegklikt en er langzaam een plaatje tevoorschijn komt.

-Deel de kaarten uit aan de leerlingen (of per tweetal) en geef een Engelse omschrijving van een plaatje. Bijv: ´It it cold, you eat it during summer, it can melt, most children like it very much, my favourite flavour is strawberry´. De leerling  die het kaartje heeft, mag het woord hardop zeggen en het kaartje komen brengen. Als dit te moeilijk is, kun je het plaatje ook uitbeelden.

-Geef de leerlingen een flashcard en laat ze elkaar vragen stellen. Je oefent van tevoren ´chunks´ zoals: ´Do you like (plaatje van ´food´)? Yes, I do / No, I don´t´ of ´Have you got (plaatje van ´toys´)? / Yes, I have / No, I haven´t´ of ´How do you flashcards animalsgo to school? / Leerling kijkt op zijn flashcard en antwoordt: ´by train / by car / by bus / by bike´ etc. Als je dit in de kring doet, kunnen de leerlingen het gewoon aan hun buurman vragen, terwijl de rest luistert. Je kunt ze daarna ook rond laten lopen, zodat ze steeds iemand anders tegenkomen.

-Hang verschillende plaatjes op in het lokaal. Jij geeft een opdracht of je zegt een zin, bijv: ´Go to a fruit´ (leerlingen lopen naar apple of banana. Vervolgens zeg je ´Go to something warm´ (leerlingen lopen naar spaghetti of hot dog). Dan: ´Go to something you don´t like´ (leerlingen lopen zelf ergens naar toe). Belangrijk hierbij is dat de leerlingen aan jouw mimiek kunnen zien wat je bedoelt. Je kunt dit variëren met allerlei opdrachten of het stellen van vragen, zoals bij het thema ´animals´: `which animal is the biggest? / ´which animal is brown?´ / ´which animal is dangerous?´ etc.

Tip: Wil je de flashcards niet uitprinten, maar de woorden via het digibord oefenen? Op de site van eslgamesplus vind je heel flashcards in powerpoint, bij allerlei thema´s.

In deze blogs vind je nog meer tips:

Flashcards (deel 2)
Flashcards (deel 3)

2018-10-14T15:18:01+00:00
error: