Flashcards (deel 3)

Dit is deel 3 in de serie ´Flashcards´met opnieuw vijf werkvormen voor in je Engelse les:

-Memory Master
Leg hetzelfde aantal flashcards op de grond als dat je leerlingen hebt (dus bij 20 leerlingen, 20 plaatjes). De kaartjes liggen met het plaatje naar boven. Eén leerling is de ´Memory Master´ en moet zo goed mogelijk opletten. Om de beurt wijzen de leerlingen een plaatje aan en zeggen daarbij het woord. Ze mogen het plaatje niet aanraken: alleen maar wijzen en benoemen. Als alle leerlingen zijn geweest, is het de beurt aan de ´Memory Master´: hij pakt nu steeds een flashcard en geeft deze aan de leerling die het plaatje had aangewezen. Hierbij zegt hij ook het woord. Hoeveel weet hij er nog?

Je kunt van tevoren ook een tweede leerling aanwijzen. Als de ´Memory Master´ het niet meer weet, mag de ´Assistant Memory Master´ verder. Vind je het aantal leerlingen te groot? Speel het spel dan meerdere keren, waarbij steeds een ander groepje leerlingen de woorden mag aanwijzen. 

-Guess the word
Laat eerst alle flashcards zien die je op dat moment bij een bepaald thema gebruikt, bijvoorbeeld ´animals´. Neem de woorden door en oefen ze met de leerlingen. Vervolgens stop je één van de flashcards achter je rug. De leerlingen mogen nu vragen stellen: ´Is it a dog?´, ´No, it isn´t´. ´Is it a cow?´, ´No , it isn´t´. ´Is it a cat? ´Yes, it is!` . Degene die het geraden heft, mag nu een flashcard achter zijn rug houden en antwoord geven.

Je kunt deze werkvorm natuurlijk zo moeilijk maken als je zelf wilt. In plaats van te oefenen met een vaste chunk, kunnen leerlingen ook specifiekere vragen stellen: ´Is it dangerous?´, ´Can you find it in the zoo?´, Can it fly?´ etc.

-Throw and say
Leg de flashcards met het plaatje naar boven op de grond. Zorg dat je een pittenzakje hebt. Leerlingen gooien om de beurt een pittenzakje op de flashcards en zeggen het woord waar de pittenzak op landt.

-Wrong or right?
Laat een flashcard zien. Als je het goede woord zegt, moeten de leerlingen staan(of 1x in hun handen klappen). Als je een fout woord zegt, blijven de leerlingen stil of moeten ze hun neus aanraken. Bijvoorbeeld: Bij een plaatje van een ´cat´ ,zeg je ´This is a dog´. Leerlingen raken hun neus aan, want het is fout. Plaatje van een ´cow´ en je zegt: ´This is a cow´. Leerlingen gaan staan, want het is goed.

-Where´s the card?
Leerlingen zitten in een kring. Jij geeft ze ieder een flashcard. Deze laten ze zien aan hun klasgenoten en jij (of de leerlingen zelf) benoemt het woord: ´Linda has an apple. Jeroen has a banana. John has an egg.´ etc. Vervolgens leggen de leerlingen de flashcard met het plaatje naar beneden op hun schoot. Jij roept: ´Start!´ en de leerlingen schuiven het kaartje door naar hun buurman en weer naar de volgende buurman enzovoort. Na een paar seconden roep je ´Stop!´ en dan stel je een vraag: ´Who has the apple now?´. Leerlingen mogen niet op hun flashcard kijken, maar moeten proberen te raden bij wie die flashcard nu is. Ze doen dit door de betreffende leerling aan te wijzen. Daarna draait iedereen zijn kaart om. Wie had het goed?

Tip: Print de flashcards lekker groot uit voor leerlingen in de onder- en middenbouw, zodat je ze ook kunt ophangen in je lokaal. Print ze daarnaast ook in tweevoud in het klein uit, zodat leerlingen memory kunnen spelen. Bijvoorbeeld als ze snel klaar zijn met een werkje.

Meer werkvormen met flashcards? Klik dan op deze links:

Flashcards (deel 1)
Flashcards (deel 2)

error: