Working in pairs (bovenbouw)

Om de spreekvaardigheid te oefenen, werken de leerlingen tijdens mijn lessen regelmatig in tweetallen. Ik loop rond om hen te begeleiden, om er zeker van te zijn dat ze Engels spreken, om vragen te beantwoorden of te helpen bij het omschrijven van woorden. Door veel ´in pairs´ te werken, voelen leerlingen zich al snel veilig: ze hoeven immers maar tegen 1 klasgenootje te praten, in plaats van tegen de hele klas.

Hieronder omschrijf ik drie werkvormen voor groep 6, 7 en 8 (en onderbouw voortgezet onderwijs), die uitermate geschikt zijn voor ´working in pairs´.

*Describe and draw:
Geef leerling A een plaatje. Geef leerling B een leeg papiertje. Leerling A omschrijft zijn plaatje, terwijl leerling B luistert naar de beschrijving en het zo goed mogelijk probeert na te tekenen. Belangrijk hierbij is dat je van tevoren goed de termen hebt geoefend en ze ook zichtbaar maakt tijdens de opdracht (bijv. op het digibord). Voordat leerlingen in tweetallen aan de slag gaan, omschrijf je eerst zelf een tekening aan de klas: ´In the top left corner is a sun. Next to the sun is a small cloud. In the middle of the picture is a house. To the left of the house is big tree. In the bottom left corner is a car. Above the car is a bird´ etc. Als leerling A klaar is met de beschrijving, vergelijken de leerlingen hun tekeningen: komt het enigszins overeen? Daarna gaat leerling B een plaatje beschrijven , terwijl leerling A tekent. Je kunt dit natuurlijk ook bij het thema ´body´ of ´appearances´ doen en bijvoorbeeld een monster tekenen.

Wil je de uitgebreide versie van deze les?
Bekijk dan de VLOG OVER TEKENEN & SPREEKVAARDIGHEID, volg het stappenplan en mail mij voor de werkbladen.

*Find the differences:
Beide leerlingen krijgen hetzelfde plaatje, maar er zitten een aantal verschillen in. Als je googelt op ´find the differences´ of ´zoek de verschillen´ kun je genoeg plaatjes vinden (probeer ook te denken aan het thema waar je op dat moment mee bezig bent of kijk naar de moeilijkheidsgraad). Leerlingen gaan elkaar vragen stellen, dus zorg ervoor dat dit van tevoren goed is geoefend en tijdens de opdracht ook zichtbaar is op het digibord: ´Are there three boats in the picture on the wall?´ / ´Is the dog sleeping behind the sofa?´ / ´Is the door open?´. Om de beurt mogen de leerlingen elkaar een vraag stellen, zodat ze samen tot het aantal verschillen komen dat wordt gevraagd. Je kunt het plaatje zo moeilijk of makkelijk maken als je zelf wilt. Nadat alle verschillen zijn gevonden, bekijken de leerlingen elkaars plaatje.

Ook voor deze les is het handig als je de VLOG OVER TEKENEN & SPREEKVAARDIGHEID bekijkt.

*Crossword puzzle:
Leerlingen krijgen een half ingevulde kruiswoordpuzzel. Door elkaar vragen te stellen, kunnen ze de puzzel compleet maken. Het is niet de bedoeling dat leerling B gewoon het woord zegt dat hij in de vakjes ziet staan. Hij heeft ´clues´ voor leerling A en vice versa. Leerling A vraagt: ´What is 4 accross?´. Leerling B antwoordt: ´The teacher writes on this with chalk´ (leerling A vult ´blackboard´ in). Daarna is leerling B aan de beurt: ´What is 11 down?´. Leerling A antwoordt: ´This is what you have in between subjects at school´(leerling B vult ´break´ in). Voor vergevorderde leerlingen hoef je geen clues te bedenken. Zij kunnen de woorden zelf omschrijven. Voor de rest van de groep is het handig als jij als leerkracht de aanwijzingen voor hen opschrijft. Na de opdracht, bekijken de leerlingen elkaars puzzel.

Tip: Maak van een gewone kruiswoordpuzzel een spreekvaardigheidsopdracht door de puzzel twee keer uit te printen en daarna er werkblad A en werkblad B van te maken. Bij werkblad A vul je enkele woorden in en wis je enkele clues weg met typ-ex. hetzelfde doe je bij werkblad B. Zo heeft leerling A de woorden & omschrijvingen voor leerling B en vice versa.

error: