Days of the week

Days of the week

Ik kreeg een prachtig boek opgestuurd: ´A wonderful week´ van Marjolein Varekamp. Met de vraag of ik dit boek eens wilde vermelden op mijn website, voor alle scholen die Engels geven vanaf groep 1. Dat wilde ik natuurlijk wel! Een Engels prentenboek over de dagen van de week: dat past perfect in de onder- en middenbouw en daar kan ik ook nog een leuke les bij verzinnen. Dus hierbij enkele ideeën bij het thema ´Days of the week´.

-Wil je eerst een kijkje nemen in het boek? Klik dan hier.

Introductie

-Vertel de leerlingen dat je een boek gaat lezen over Pig en Mouse en laat de voorkant van het boek zien: ´I´m going to read a book about Pig and Mouse. Look, here they are: Pig and Mouse live together and they do all kinds of things together. Like tidying up their house, drinking tea, fixing things and baking pancakes. They are very busy during the week, so they like to relax on Sunday.´

-Stel enkele vragen over de cover van het boek (afhankelijk van het niveau van de leerlingen): ´What colour is Pig? What can you see? Can you point to Mouse? Can you see a frog? What colour is this bucket? Where do you think they are? Are they happy or sad?´ etc. Leerlingen mogen in het Nederlands antwoorden.

-Vraag of er al kinderen zijn die een dag in het Engels weten: ´Which one of you can think of a day in English? What day it is today? What days are in the weekend? What day was it yesterday? What day will it be tomorrow? What comes after Saturday? How many days are there in a week?´.

Terwijl je de vragen stelt, maak je duidelijke gebaren, zodat de kinderen begrijpen wat je bedoelt. Misschien geven ze geen juiste antwoorden, maar het gaat erom dat ze het proberen en erover nadenken.

  • Input

-Laat flashcards met de dagen van de week zien. Hieronder geef ik je twee links met voorbeelden, maar er zijn natuurlijk vele varianten te vinden op internet. Je zegt de dagen van de week één keer.

-Vertel dat Pig en Mouse elke dag iets bijzonders doen: ´Pig and Mouse are doing something special every day. So they do something on Monday and on Tuesday, on Wednesday, on Thursday and on Friday. They also do something on Saturday and Sunday. Let´s find out what they´re up to!´

Flashcards Sparklebox : met kleine zinnetjes erbij
Flashcards Sparklebox : in gekleurde bloemen

-Lees het boek integraal voor, zodat de leerlingen alle woorden en zinnetjes een keer horen en de plaatjes kunnen bekijken. Wijs hierbij enkele plaatjes aan en maak gebruik van gebaren.

  • Verwerking van input

Nu ga je per bladzijde nog eens even bekijken wat er eigenlijk allemaal staat. Het grappige is dat er steeds een voorwerp van de vorige dag terugkomt bij de volgende dag en dan ook blijft: een kikker, een afwasborstel, een aardbei, een stukje lego etc. Dit kun je goed gebruiken als je de plaatjes bekijkt en er dieper op ingaat. Hieronder lees je enkele suggesties. Leerlingen mogen in het Nederlands antwoorden, maar proberen het natuurlijk ook in het Engels.  (als de concentratie van jouw leerlingen op is, ga je verder met een andere les of met een verwerkingsopdracht. Je doet onderstaande  suggesties dan een volgende keer).

Monday: What do you think they are doing? They are taking a mud bath! Which one of you has a bath at home? Will Pig and Mouse get very clean after this bath? Can you see frog? What colour is the frog? Do you think Mouse is scared of the bath? And what is Pig doing?

Tuesday: What do you think they are doing? They are cleaning up their house! Do you see that vacuum cleaner? Can you find the frog? What is Mouse doing? Do you see the washing up brush somewhere?

Wednesday: Pig is going for a swim. Do you see the ducks? What is Mouse doing? He is fishing. What is he wearing? Yellow boots with blue polka dots. And do you see frog? Where is he? Are they outside or inside? What´s the weather like?

Thursday: Pig and Mouse are drinking tea and they eat strawberries. Do you like strawberries? How many strawberries can you see? Where is frog? Are pig, Mouse and Frog inside or outside?

Friday: What are they doing? Where are they? In the garage? Pig and Mouse are fixing the plane. What can you see? I see a bike and a plane. What colour are they? Do you have a bike? Do you like riding your bike? Have you been in a plane? Do you see a strawberry?

Saturday: Mouse is baking pancakes and they are stacking them. Do you see that? Do you like pancakes? How many pancakes do you think there are? And what´s in the black pot? Where is frog? What is Pig thinking? How many glasses do you see on the fridge? What do you like to cook?

Sunday: Pig and Mouse are very tired. They are sleeping, can you see them in the bed? And do you see frog? What is he doing? Do you like your bedroom? What time do you go to bed? What do you do on Sundays? And what do Pig and Mouse and Frog dream about? How many bats can you see? Can you count the piglets? Do you sometimes dream? Do you remember your dreams?

LEES OOK: DAYS AND MONTHS

  • Oefenen

Nu je de dagen van de week nogmaals hebt geoefend met het boek, kun je ze gaan oefenen. Dit kan met diverse werkvormen, liedjes en werkbladen.

WERKVORMEN

-Levend memory: twee kinderen gaan naar de gang. Vervolgens geef je steeds twee kinderen een dag van de week en vertel je dat ze die hardop moeten zeggen als ze de beurt krijgen. Heb je meer dan 16 kinderen in de klas? Dan kun je ook nog de woordjes ´today´, ´yesterday´ en ´tomorrow´ toevoegen, meerder kinderen naar de gang sturen of in twee kleinere groepen werken. De kinderen komen terug van de gang en mogen om de beurt twee klasgenoten aanwijzen. Als twee leerlingen dezelfde dag zeggen, gaan ze zitten en heeft degene die ze aanwees een punt.

-Stand in the right order: Geef zeven leerlingen een dag van de week. Laat ze nu op volgorde staan, beginnend bij Sunday. Door samen te overleggen, komen ze op de juiste plek. Daarna zeggen ze hun dag hardop en kun jij kijken of het klopt. Nu is het volgende groepje van zeven leerlingen aan de beurt.

-Say the right day: Als jouw leerlingen al de volgorde van de dagen weten, kun je ze in een kring zetten. Om de beurt zeggen ze een dag van de week, maar wel op de juiste volgorde. Weten ze een dag niet? Dan moeten ze gaan zitten. Zo blijven er steeds minder leerlingen over. Is dit te makkelijk? Voeg dan een extra element toe: Je moet sowieso gaan zitten als je ´Sunday´ hebt. Zo houd je uiteindelijk één ´winnaar´ over.

-Find your match: Geef alle leerlingen een dag die ze moeten onthouden. Vervolgens gaan ze rondlopen en op zoek naar dezelfde dag: ´I am Monday. What are you?´. Als je ze hun match gevonden hebben, gaan ze op zoek naar misschien wel een derde of vierde leerling die ook Monday is (afhankelijk van de grootte van jouw groep).

-On what day?: Maak flashcards van alles wat Pig and Mouse deden gedurende de week: mud bath, tidying up, wellies (boots), tea, fixing things, stack of pancakes, snuggling / snoozing / sleeping /sweet dreams. Vervolgens vraag je aan de leerlingen wanneer Mouse en Pig wat deden. Oftewel: welke flashcard hoort bij welke dag?

LIEDJES

Er zijn heel veel liedjes te vinden over ´the days of the week´. Hieronder enkele suggesties voor liedjes die niet te snel gaan:

Days of the week – KidsTV123
Days of the week song – Singing walrus
Days of the week song – Learning station
Days of the week song – Super simple songs

LEES OOK: THE VERY HUNGRY CATERPILLAR

WERKBLADEN

This is my week (drawing or writing)
Laat leerlingen bij elke dag iets tekenen van wat zij (graag) doen. Bijvoorbeeld op maandag ballet, op dinsdag naar school, op woensdag met een vriendje spelen, op donderdag naar voetbal, op vrijdag naar opa en oma, op zaterdag televisie kijken, op zondag uitslapen. Ze mogen zelf iets verzinnen en dit tekenen of schrijven. Als leerkracht begeleid jij hen door continu Engels te spreken: ´You´re drawing a television? So you watch tv on Saturdays?´, ´What a beautiful drawing! Is it your grandma?´ etc.

Cardgame

Woordzoeker

  • Output

-Laat leerlingen zelfstandig een liedje zingen over de dagen van de week. Misschien leuk om op te voeren voor de ouders of voor de rest van de school?

-Laat leerlingen zelfstandig iets vertellen over hun week. Dit kan heel eenvoudig: ´On Monday I go to school, on Tuesday I play piano, on Wednesday I play with my friend, on Thursday I watch TV, on Friday I play games, on Saturday I play tennis, on Sunday I eat chips´. Help de leerlingen bij het vinden van de juiste woorden en laat ze het vervolgens een aantal keer oefenen. Ze kunnen hierbij ook foto´s maken van de verschillende activiteiten.

2018-03-07T11:40:37+00:00