Spelen met Engels doe je over het algemeen binnen, in je lokaal of in  de gymzaal. Maar als het zonnetje schijnt, is het voor leerlingen ook heerlijk om even buiten te spelen met Engels.  In dit artikel delen we vijf leuke buitenspeelactiviteiten, waarbij je de Engelse taal nodig hebt. En mocht het toch gaan regenen… dan is de gymzaal altijd nog een optie.

1. Rock, scissors, paper and a lion

Soort spel: Tikspel (playing tag)
Opstelling: Leerlingen zitten in een kring, de tikker (the lion) zit in het midden. Wijs één plek aan als ‘safetyzone’. Hier mag de tikker niemand tikken.
Verloop van het spel:  Zing samen het liedRock, scissors, paper’ met de bijhorende gebaren: Rock (maak een vuist), Scissors (maak van je vingers een schaar), Paper (platte hand). In het liedje komen verschillende dieren voor die de leerlingen met hun handen nadoen. Als de ´lion´ wordt genoemd, staat de tikker op en probeert hij zijn klasgenoten te tikken.  De leerlingen rennen zo snel mogelijk naar de safetyzone. Is een leerling getikt? (de leeuw zegt: ´Tag, you’re it!´) Dan wordt hij of zij de volgende leeuw. Is één leeuw niet genoeg? Kies dan meerdere leeuwen (tikkers) uit.
Als je de andere dieren uit het liedje weglaat en steeds alleen ´O no… it´s a lion´ zingt, verloopt het spel sneller. Het lied gaat als volgt:
Rock, scissors, paper,
1,2,3 (meetellen op de vingers)
Play with me (wijs naar jezelf)
Right hand paper (plaats deze hand ter hoogte van je oren alsof het de manen van een leeuw zijn
Left hand paper (idem)
Oh, no! It’s a….Lion!

BESTEL: WOORDENLIJST PHYSICAL EDUCATION

2. Duck, duck, goose

Soort spel: Tikspel (playing tag)
Opstelling: Leerlingen zitten in een kring, één leerling staat buiten de kring.
Verloop van het spel:  Leerling A  loopt aan de buitenkant van de kring en tikt zachtjes iedere leerling één voor één op het hoofd of schouder. Terwijl hij of zij dit doet, zegt hij de woorden ‘duck’ of ‘goose’. Goose is in dit geval ´the action word’. Dus zegt de rondlopende leerling bij een andere leerling ´duck´ dan gebeurt er niets. Zegt hij  ´goose’, dan staat deze getikte leerlingen (leerling B) zo snel mogelijk op en probeert leerling A te tikken. Leerling A rent weg (om de kring van de zittende leerlingen heen) en probeert op de plek te gaan zitten van leerling B.

Variatie: Je bent uiteraard niet gebonden aan de woorden ‘duck’ en ‘goose’. Ben je bezig met het thema ‘transport’, gebruik dan woorden die passen bij dat thema: bus, train, airplane.  Kennen je leerlingen al veel woorden bij een bepaald thema? Laat ze vooral meerdere woorden gebruiken. Spreek dan alleen het ‘action word’ af (dus het woord waarbij er mag worden opgestaan en getikt) af. Het zou zonde zijn om hen alleen ‘duck, duck , goose’ te laten zeggen, wanneer het  ‘duck, cow,  horse, pig, goose’ kan zijn! Je kunt de leerlingen ook korte zinnetjes laten zeggen: ´I see a duck. I see a….goose!´of ´I went to the farm and I saw a… duck . I went to the farm and I saw a…goose!´

3. Monkey in the Middle 

Soort spel: Lummelen (monkey in the middle)
Opstelling: Je kunt dit spel in de originele opstelling spelen, dus met twee personen staand tegenover elkaar en één in het midden, of in een kring. Als je voor een kring kiest, zorg er voor dat de kring niet te groot is. Maak dan bij voorkeur meerdere kringen.
Verloop van het spel:  Kies een thema waarvan de leerlingen zelf al veel woorden actief kunnen benoemen. Bijvoorbeeld ‘clothes’. Één leerling staat in het midden en moet proberen de bal te veroveren. De andere spelers gooien de bal naar elkaar over. Voordat zij de bal mogen overgooien, zeggen zij een woord dat met het thema te maken heeft, bijvoorbeeld ´jeans´of  ‘shirt’. Als de bal wordt gevangen door een speler die niet in het midden staat, moet hij of zij ook weer een woord zeggen voordat de bal wordt overgegooid. Als de bal door de speler in het midden wordt gevangen, moet de gooier in het midden staan. Weet een speler geen woord meer te benoemen? Dan wordt hij of zij ‘the Monkey in the middle’.

Variatie: Je kunt dit spel aan elk thema koppelen. In plaats van woorden, kunnen de leerlingen ook zinnen zeggen, voordat zij de bal mogen gooien: ´I am wearing …..´. Je kunt dit spel ook heel goed spelen zonder een leerling in het midden. Dat geeft misschien een wat veiliger gevoel en zo ben je toch bezig met het oefenen van de woordjes.

LEES OOK: 5 X 5 MINUTEN ACTIVITEITEN

4. Doggy, doggy, where is my bone?

Soort spel: Raadspel (guessing game)
Opstelling: De leerlingen staan in een kring met de handen op hun rug. Één leerling staat in het midden.
Verloop van het spel:  De leerling die in het midden staat moet even zijn ogen dicht doen. De leerkracht kiest een leerling uit die het botje (dat kan een nep botje zijn of een blokje), als eerste mag vasthouden. De leerling in het midden mag weer zijn of haar ogen opendoen. Alle leerlingen zeggen: ´Doggy, doggy where is my bone?´ en terwijl ze dit zeggen, geven zij achter hun rug om het ‘botje’ door. Is de zin voorbij? Dan mag er niets doorgegeven worden en krijgt de leerling in het midden de kans om te raden: ´Do you have my bone?´.  Diffentieer met de antwoorden:´Yes / No´, ´Yes I do/ No I don´’t´, ´Yes I have your bone/ No, don´t have your bone´.

Variatie: 
Je kunt dit spel aan elk thema koppelen: ´Farmer, farmer, where is my cow?´ ,´Columbus, Columbus, where is my ship?´, ´Astronaut, astronaut, where is my planet?´ / ´Do you have my cow/ship/planet?´ / ´Have you seen my cow/ ship/planet?´

LEES OOK: 5 KORTE ACTIVITEITEN

5. Monster Game

Soort Spel: Tikspel (playing tag)
Opstelling: 
Vrije opstelling. Spreek van tevoren wel een speelvlak en safetyzone af.
Verloop van het spel: Één iemand is de tikker. De tikker heeft een antwoord in zijn hoofd, de andere leerlingen gaan vragen stellen en proberen het juiste antwoord te vinden. Als het juiste antwoord is gevonden, mag de tikker pas gaan tikken (en verandert dan in een monster….). Het thema is bijvoorbeeld ‘Wild Animals’. De tikker kiest het dier ‘giraffe’ en vertelt dit aan niemand. De andere leerlingen gaan vragen aan hem stellen: ´Do you like hippos?´ / ´No, I don’t´, ´Do you like crocodiles?´ / ´No, I don’t´, ´Do you like giraffes?´/ ´Yes, I do!´. Op dat moment wordt  de leerling het tikmonster en probeert zoveel mogelijk leerlingen te tikken. De leerlingen proberen zo snel mogelijk naar de safetyzone te rennen.

Variatie: 
Dit spel kun je bij elk thema inzetten en de vragen kun je natuurlijk variëren (´Are you a…?´ / ´Have you got a…?´). Is één monster niet genoeg? Meerdere monster zijn uiteraard mogelijk! Laat de tikkers met elkaar het ‘action word’ afspreken. De vraag van de leerlingen blijft hetzelfde, het antwoord wordt nu alleen in wij-vorm gegeven: ´No, we don’t. / Yes, we do!´.
Hier vind je nog een andere variatie op het spel.

LEES OOK: SPELEND LEREN, 3 WERKVORMEN

BESTEL: THEMAPAKKET FARM ANIMALS

Dit blog is geschreven door Froukje Polman.