1.Which one is it? (onder-, midden- en bovenbouw)
Vier leerlingen staan voor de klas met ieder een flashcard in hun hand. Hier staat een plaatje op van het thema waar jullie mee bezig zijn.  Geef je les in de bovenbouw? Maak het dan wat moeilijk en kies voor woorden of zinnen. De vier leerlingen laten hun flashcard een paar seconden zien en verstoppen het dan achter hun rug. Vervolgens zeg jij één van de vier woorden. De overige leerlingen bedenken nu bij welke leerling ze het woord hebben gezienen gaan voor die leerling staan.

Je kunt na elke ronde van leerling verwisselen, maar ook de vier leerlingen een poosje laten staan om chaos te voorkomen. Je geeft ze dan steeds nieuwe flashcards en de overige leerlingen bedenken waar steeds waar ze moeten gaan staan.

Je kunt dit spel zo moeilijk maken als je zelf wilt: kies plaatjes of woorden die heel erg op elkaar lijken of zet vijf of zes leerlingen voor de klas.

LEES OOK: 6 ACTIVITEITEN VOOR DE BOVENBOUW

mixedbag

2.Mixed Bag (onder- en middenbouw)
Deze activiteit kun je het beste buiten doen, in de gymzaal of een bijna leeg lokaal: Neem een tas mee naar school met een aantal verschillende voorwerpen, die niet stuk kunnen gaan. Haal één voor één de voorwerpen uit de tas, benoem ze en gooi ze een eindje weg. Als alle voorwerpen verspreid op de grond liggen, roep jij één van de voorwerpen. De leerlingen lopen nu zo snel mogelijk naar het voorwerp toe.

Om chaos te voorkomen kun je het beste niet alle leerlingen tegelijk laten lopen, maar in tweetallen (Je wijst eerst twee leerlingen aan en roept vervolgens het voorwerp. Wie pakt het als eerste?) of om de beurt (je wijst een leerling aan en hij pakt zo snel mogelijk het voorwerp. Kent hij het woord niet? Dan mogen zijn klasgenootjes hem helpen).

LEES OOK: FLASHCARDS DEEL 1

3.Time Bomb (onder,- midden- en bovenbouw)
Neem een eierwekker en een zacht balletje of pittenzakje mee naar school. De leerlingen zitten in een kring en jij geeft een categorie, bijv. ´animals´, ´house´ of ´school´. Leerlingen gooien het balletje naar elkaar. Als een leerling het balletje vast heeft, noemt hij een woord in die categorie en vervolgens gooit hij het balletje naar een klasgenootje. Deze noemt een ander woord en gooit het balletje weer verder. Hoeveel woorden kunnen de leerlingen gezamenlijk noemen binnen de tijd? En zaten er dubbele woorden bij? Als een leerling niets weet, mag hij ´pass´ zeggen en het balletje verder gooien.

Je kunt dit spel variëren:
-Als je het balletje vast hebt, terwijl de eierwekker gaat, mag je niet meer meedoen. Of je dit wilt doen, hangt grotendeels van de groep af: kunnen de leerlingen hier tegen en voegt het iets toe aan het spel?
-Je kunt het ook zonder eierwekker doen, maar net zo lang doorgaan totdat er geen woorden meer zijn. Leelilngen die een woord zeggen dat al is gezegd òf langer dan 4 seconden stil zijn, mogen niet meer mee doen. Uiteindelijk blijven er twee leerlingen over. Dan begint er een nieuwe categorie waarbij iedereen weer mee kan doen.

4.Talking points (bovenbouw)
Maak groepjes van 4 (meer of minder kan ook). Geef ieder groepje 12 kleine papiertjes met daarop de nummers 2 tot en met 12. Op de achterkant schrijven de leerlingen onderwerpen waar ze geïnteresseerd in zijn, zoals computer games, school, holidays, sports, hobbies etc. Jedobbelstenen kunt de leerlingen dit gezamenlijk laten opschrijven of ieder vult een paar kaartjes in. De kaartjes worden vervolgens met de nummers naar boven op de tafel verspreid. Elk groepje krijgt twee dobbelstenen: gooien maar! De leerlingen draaien het kaartje om dat overeenkomt met het gegooide getal en praten nu één of twee minuten lang over dit onderwerp. Jij als leerkracht bepaalt de tijd en roept dan ´Throw again!´. Als hetzelfde getal nogmaals wordt gegooid, moet het groepje door blijven praten over dat onderwerp. Als er een ander getal wordt gegooid, wordt het bijbehorende kaartje omgedraaid en praat het groepje twee minuten lang over een nieuw onderwerp.

LEES OOK: 5 ACTIVITEITEN VOOR DE ONDER- EN MIDDENBOUW

5. Interview the experts (bovenbouw)
Drie leerlingen zitten vooraan de klas: één interviewer en twee experts. De klas verzint een onderwerp voor de experts: Waar zijn ze goed in? Waar kunnen ze veel over vertellen? Houd als leerkracht de regie in handen, zodat het een passend en interessant onderwerp is! Als het onderwerp is gekozen, bijv. ´fashion´ of ´food´ kan de interviewer vragen stellen aan de experts. De experts mogen echter steeds maar één woord zeggen en moeten dus gezamenlijk zinnen maken! Bijvoorbeeld:
Interviewer: ´What is your favourite food?´
Expert 1: `I´
Expert 2: ´think´
Expert 1: ´that´
Expert 2: ´my´ etc…

Als dit te lastig is voor sommige leerlingen, kun jij als leerkracht de interviewer of een expert zijn. Dan stuur je het gesprek een beetje. De meeste leerlingen vinden het erg leuk om op deze manier met Engels bezig te zijn, ook al kunnen ze nog niet zo goed Engels praten. En luisteren naar zo´n geweldig interview is natuurlijk ook heel leuk.