6 activiteiten voor de bovenbouw

In deze blog omschrijf ik 6 activiteiten voor de bovenbouw. De activiteiten vergen maar weinig voorbereiding en zorgen gegarandeerd voor veel plezier in  de klas.

LEES OOK: ACTIVITEITEN VOOR IN DE BOVENBOUW, DEEL 1

  1. Simon Says + giving directions

De meesten van jullie kennen het spelletje ´Simon Says´ wel. Je geeft opdrachten aan je leerlingen, maar alleen als je er ´Simon Says´ (of ´Teacher Says´) voor zegt, moeten de leerlingen deze opdrachten ook daadwerkelijk uitvoeren. Bijv. ´Simon says touch your nose. Simon says touch your shoulders´ etc.

Maak van je klaslokaal een klein dorp door op verschillende plekken flashcards neer te leggen en/of op te hangen van winkels en andere plaatsen (bank, pharmacy, petshop, park, school, supermarket). Zet de tafels zò neer dat het net kleine straatjes lijken, waarbij de leerlingen vaak naar links, rechts of rechtdoor kunnen.

Vraag twee leerlingen om te gaan staan en geef een aantal opdrachten: “Simon says turn right, Simon says go straight ahead, Go left. Where are you now?” Alleen als je ´Simon Says´ zegt, voeren ze de opdracht uit, anders zijn ze af. Als je de opdracht klassikaal hebt uitgevoerd, kun je de leerlingen in tweetallen laten werken. Je kunt het ook uitbreiden met moeilijkere zinnen: ´When you´re at the supermarket, go straight ahead´. Geef leerlingen de ruimte om te spelen met de taal.

  1. This is what I see (part I)

Een aantal leerlingen gaat verspreid over het lokaal staan.  Ze gaan omschrijven welke details ze op hun eigen plek zien. Sta je bij de deur, dan beschrijf je de kleur van de deur, wat er op hangt, of hij open of dicht is etc. Sta je bij het bureau van de juf of meester, dan kun je omschrijven wat daar allemaal ligt. Bij het whiteboard omschrijf je de kleur van de stiften, de magneten, eventuele notities of papieren.

Zo kan iedere leerling op zijn eigen niveau de spreekvaardigheid oefenen: een leerling die geen moeite heeft met Engels zal een uitgebreid verslag uitbrengen, terwijl een wat onzekere leerling slechts een paar woorden noemt. Alles is goed.

  1. This is what I see (part II)

De leerlingen werken in tweetallen. Eén leerling houdt zijn ogen dicht of doet een blinddoek om. De andere leerling omschrijft een specifiek deel van het lokaal. Nu is het aan de geblindoekte leerling om te raden om welk deel van het lokaal het gaat (bijv. het raam, de instructietafel of een kast met boeken).

Je kunt de leerlingen ook een tekening of foto geven die ze zo goed mogelijk moeten omschrijven aan hun klasgenoot. Deze maakt hier dan vervolgens zelf een tekening bij of raadt waar de persoon of personen op de foto zich bevinden.

Belangrijk bij deze activiteiten is dat de leerlingen al bekend zijn met het gebruiken van voorzetsels (near, next to, behind, above, to the right of etc.)

  1. I´ve lost my voice

Verdeel de klas in tweetallen. Geef elke leerling een rol of een situatie, maar zeg tegen één van de twee leerlingen dat hij zijn stem kwijt is en dus zijn rol moet spelen zonder te praten. Bijvoorbeeld:
Leerling A: ´You need to find a pharmacy and you will ask someone for directions. You have lost your voice, and you can’t say a word´.
Leerling B: ´You will be stopped in the street by someone who needs directions, but this person can’t speak, so you must interpret their gestures and ask questions to find out where they need to go´.

Leerling B probeert door middel van vragen stellen erachter te komen wat leerling A wil. Leerling A mag alleen maar ja knikken, nee schudden of met gebaren iets duidelijk maken. Doe dit spel eerst klassikaal, zodat het voor iedereen duidelijk is. Daarna kun je als leerkracht rondlopen en begeleiden bij het stellen van de vragen (en natuurlijk checken of er niet vals wordt gespeeld ;-).

  1. Why? Because!

Geef iedere leerling twee lege papiertjes. Op 1 papiertje schrijven ze een vraag die begint met ´Why…?´. Op het andere papiertje schrijven ze het antwoord op die vraag, door te beginnen met het woordje ´Because…´. Bijv. ´Why do birds fly?´ – ´Because they have wings´.

Alle papiertjes met ´Why´ worden verzameld, geschud en op een stapel gelegd. Alle papiertjes met ´Because´ worden ook verzameld, geschud en op een stapel gelegd. Vervolgens pak je een willekeurig ´Why´ papiertje van de stapel en leest deze voor. Daarna pak je een ´Because´ papiertje en leest deze er achteraan. Zo ontstaan er grappige zinnen. Als jouw leerlingen al goed kunnen lezen, kun je ze natuurlijk ook zelf omstebeurt een kaartje laten pakken en voorlezen. Als alle zinnen geweest zijn, kun je de leerlingen de juiste ´why´ bij de juiste ´because´ laten leggen.

  1. Right arm, left arm

Hang twee posters in het lokaal of laat twee plaatjes zien op het digibord. p deze posters staat een groot aantal voorwerpen of een levendige situatie (bijv. op het strand, in een restaurant). Kortom: er is veel te zien. Zorg ervoor dat de leerlingen bekend zijn met de voorwerpen of woorden die op de posters voorkomen. Boven de posters of plaatjes schrijf je ´left´ en ´right´.

Nu ga je steeds voorwerpen noemen of personen omschrijven. Bijv. ´a glass of milk´ of ´a woman drinking a glass of milk´. De leerlingen steken hun linkerarm op als ze denken dat dit op de linkerposter staat en hun rechterarm als ze denken dat dit op de rechterposter staat. Je kunt deze activiteit gemakkelijk aanpassen aan het niveau van jouw groep.