Fruit and vegetables

Ga jij in de onderbouw aan de slag met het thema ‘fruit and vegetables’? Dan kun je vast de tips in dit blog goed gebruiken!

BESTEL: THEMAPAKKET FRUIT AND VEGETABLES

Introduceren en input geven

Begin met het motiveren van leerlingen door ze te vertellen wat de eindopdracht gaat zijn. Misschien gaan ze over een paar lessen wel een mooie fruitschaal knutselen en kunnen ze in het Engels benoemen welke fruitsoort ze hebben gemaakt. Of ze tekenen een supermarktkarretje waarin diverse groenten liggen. Het is belangrijk dat kinderen enthousiast worden over het thema en zin krijgen om er iets over te leren.

Bedenk van tevoren of je wilt differentiëren: Voor sommige leerlingen is het al een uitdaging om enkele fruit- en groentesoorten te kunnen benoemen in hun boodschappenkar of fruitmand. Andere leerlingen kunnen ook de kleuren en aantallen aangeven. Voor deze leerlingen is het dus belangrijk dat je ook opdrachten verzint om de kleuren en getallen te herhalen.

Vraag aan je leerlingen of ze al enkele fruit- en groentesoorten kunnen benoemen en of ze hier misschien het Engelse woord voor weten. Zorg dat je van de belangrijkste woorden (passend bij de belevingswereld en het niveau van jouw groep) al flashcards hebt gemaakt of zorg voor echt fruit/groente of een speelgoedvariant. Verstop dit in een boodschappentas en laat de flashcards of voorwerpen één voor één tevoorschijn komen terwijl leerlingen de woorden roepen. Herhaal het woord altijd in het Engels. je kutn ok extra vragen stellen, zoals ‘How many apples do you see?’, ‘What colour is the pear?’.

Leerlingen hebben nu direct een beeld bij het woord en zullen het zo gemakkelijker onthouden. Nu kun je een prentenboek voorlezen of een liedje zingen. Kies een boek of liedje waarin woorden  voorkomen die aansluiten bij jouw einddoel en natuurlijk bij de flashcards of voorwerpen.

BESTEL: LESPAKKET & LESPLAN MAISY GROWS A GARDEN

Liedjes en filmpjes

-Learn 12 fruits – ELF Kids: Oefenen met de chunks ‘What fruit do you like?’ / ‘I like’. Fijn ritme, nodigt uit om mee te doen.
-Fruit – Maple leaf learning: Een vrolijk filmpje om de woorden te herhalen.
-Fruit song – Lilli and Lars: Melodietje van ‘wheels on the bus’. Er wordt ook geoefend met de kleuren en vormen.
-Fruits song – Kids TV: Diverse liedjes achter elkaar, kies iets dat past bij jouw einddoel.
-Fruit song for kids – Steve and Maggie: Leuk liedje met veel herhaling om chunks te oefen als ‘Here you are’, ‘Yummie’ en ‘Thank you’.
-Fruit juice – Pinkfong: Vrolijk liedje met veel bewegingen
-Do you like fruit – Fun kids English: Leuk liedje waarin wordt geoefend met de chunks ‘Do you like…? / Yes, I do
Vegetable song – Singing walrus: Het liedje bevat best moeilijke woorden (spinach, celery, leek) en is dus vooral geschikt voor de middenbouw. Refrein is wel makkelijk mee te zingen.
-Vegetable song for kids – Learn with me: Herkenbaar melodietje om de groenten te oefenen (en kleuren en vormen), met de chunk ‘Look, look inside the basket’.
-Vegetables song 1 – English tree tv: Niet echt een liedje om makkelijk mee te zingen, maar wel een duidelijk filmpje om woorden te herhalen.
-Fun food chant – ELF Kids: Heel leuk filmpje waarin de woorden worden geoefend in eenvoudige zinnen. Er komen alleen ook andere etenswaren in voor (dus niet alleen fruit en groente). Er is eerst een korte uitleg, die kun je even verder spoelen.
-Kids vocabulary Fruits and vegetables – English singsing: Vooral geschikt vanaf groep 3, omdat het vrij lang duurt en er veel woorden in voorkomen. Er wordt geoefend met de chunk ‘I like…’.
-Learn vegetables for kids – Maple leaf learning: Woordjes herhalen op een ritmische manier
-Learn vegetables names – Fun Kids English: Woordjes worden op een ritmische manier genoemd en kinderen kunnen het nazeggen.

Prentenboeken

Klik op de titels voor een voorbeeld filmpje op YouTube. Voor de boeken die je bij Practicum Educatief koopt, ontvang je 10% korting met de code ‘SpelenmetEngels’.

LEES OOK: THE VERY HUNGRY CATERPILLAR

Oefenen

Als leerlingen voldoende input hebben gehad, gaan ze oefenen met de nieuwe taal. Dat kan door het spelen van spelletjes waarbij ze woorden en eenvoudige moeten (na)zeggen, door kleur- en tekenopdrachten, telopdrachten en korte spreekvaardigheidsopdrachten. Je vindt zulke opdrachten o.a. hier: Fruit worksheets, Vegetables worksheets.

  • Geef leerlingen een flashcard of memorykaartje met een fruitsoort erop. Meerdere leerlingen kunnen dezelfde afbeelding hebben. Geef ze opdrachten: ‘All the oranges, walk to the door’, ‘All the broccolis, hop on one foot’, ‘All the bananas, touch your toes’. Doe de gebaren voor om het wat gemakkelijker te maken.
  • Vraag aan leerlingen of ze hun kaart omhoog willen houden. Jij maakt expres fouten door bijvoorbeeld te zeggen: ‘Tom has got a strawberry’ (terwijl hij een kaart van een orange omhooghoudt). Leerlingen mogen nu ‘Yes!’ of ‘No!’ roepen.
  • Speel bingo, memory of domino om de woorden te herhalen.
  • Speel een liedje op het digibord en geef enkele leerlingen een flashcard. Laat de flashcards rondgaan totdat de muziek stopt. Leerlingen die nu een kaart (of voorwerp) in hun hand hebben, benoemen het woord of kunnen misschien wel een eenvoudige zin maken met het woord.
  • Woorden oefenen en nazeggen via het digibord: English vocabulary games for kids – fruit. Het fruit wordt getekend en leerlingen moeten raden wat het is. Er wordt niet in gesproken. Duurt vrij lang, dus kies welk deel je wilt bekijken. Learn vegetables for kids: What is it? De groente komt langzaam te voorschijn en kinderen moeten raden wat het is. Dit kun je ook zelf doen met flashcards of door een voorwerp langzaam tevoorschijn te laten komen. Verderop in het filmpje worden nog meer woorden geoefend
  • Geef leerlingen kleuropdrachten: ‘Colour the carrot orange’, ‘Colour the cucumber green’ etc. Je vindt zo’n kleuropdracht via de link hieronder.
  • Noem een fruit of groente en laat leerlingen het juiste plaatje omcirkelen. Je vindt dit werkblad via de link hieronder.

DOWNLOAD: WERKBLAD ‘LISTENING & COLOURING’

Rollenspellen

Oefen onderstaande dialogen eerst door het voor te doen en gebruik te maken  van flashcards en gebaren. Jij stelt als leerkracht bijvoorbeeld de vraag ‘How can I help you?’, zodat een leerling alleen maar de fruitsoort of groente moet benoemen. Als er voldoende input is gegeven en hier herhaaldelijk mee is geoefend, kunnen de leerlingen wel enkele woorden verzinnen. Later proberen de leerlingen de dialoog zelf na te spelen.

A: Hello, how can I help you?
B: I’d like (a) … , please
A: Here you are
B: Thank you

A: Hello, how can I help you?
B: I’d like (a) … , please
A: Anything else?
B: Yes, (a) …, please
A: Here you are
B: Thank you

A: Do you like …?
B: Yes, I do / No,  I don’t
B: Do you like…?
A: Yes, I do / No,  I don’t

A: What’s your favourite fruit?
B: It’s … .
A: What’s your favourite vegetable?
B: It’s … .

Door leerlingen spelenderwijs en communicatief de woorden te laten oefenen, met herkenbare chunks, zullen ze dit thema na enkele lessen kunnen afsluiten met een mooie presentatie of dialoog. Iedere leerling doet dit op zijn / haar manier. Het gaat erom dat ze met plezier Engels proberen te spreken (met elkaar) en dat ze begrijpen hoe ze de woorden kunnen toepassen.

error: