Flashcards (deel 3)

Dit is deel 3 in de serie ´Flashcards´met opnieuw vijf werkvormen voor in je Engelse les. Veel plezier!

-Memory Master

Maak meerdere groepjes groepjes van tien leerlingen. Geef ieder groepje tien flashcards. De kaartjes liggen met het plaatje naar boven op  de grond of op een tafel. Eén leerling is de ´Memory Master´ en moet zo goed mogelijk opletten. Om de beurt wijzen de overige leerlingen een plaatje aan en zeggen daarbij het woord. Ze mogen de flashcard niet aanraken: alleen maar wijzen en benoemen. Als alle leerlingen zijn geweest, is het de beurt aan de ´Memory Master´: hij pakt nu steeds een flashcard en geeft deze aan de leerling die het plaatje had aangewezen. Hierbij zegt hij ook het woord hardop. Hoeveel weet hij er nog?

Laat leerlingen niet gelijk zeggen of het goed of fout is als ze hun kaart terugkrijgen van de Memory Master. Pas aan het eind, als iedereen een kaart ontvangen heeft, houden de leerlingen met de juiste kaart hun kaart omhoog. Hierbij benadruk je dat het niet gaat om hoeveel er goed of fout zijn, maar om het benoemen van de Engelse woorden.

Je kunt van tevoren ook een tweede leerling aanwijzen. Als de ´Memory Master´ het niet meer weet, mag de ´Assistant Memory Master´ verder. Vind je het aantal leerlingen te groot? Speel het spel dan meerdere keren, waarbij steeds een ander groepje leerlingen de woorden mag aanwijzen.

LEES OOK: FLASHCARDS (DEEL 4)

-Guess the word

Laat eerst alle flashcards zien die je op dat moment bij een bepaald thema gebruikt, bijvoorbeeld ´animals´. Neem de woorden door en oefen ze met de leerlingen. Vervolgens stop je één van de flashcards achter je rug. De leerlingen mogen nu vragen stellen: ´Is it a dog?´, ´No, it isn´t´. ´Is it a cow?´, ´No , it isn´t´. ´Is it a cat? ´Yes, it is!` . Degene die het geraden heft, mag nu een flashcard achter zijn rug houden en antwoord geven.

Je kunt deze werkvorm natuurlijk zo moeilijk maken als je zelf wilt. In plaats van te oefenen met een vaste chunk, kunnen leerlingen ook specifiekere vragen stellen: ´Is it dangerous?´, ´Can you find it in the zoo?´, Can it fly?´ etc.

-Bean bag toss

Leg de flashcards met het plaatje naar boven op de grond. Zorg dat je één of meerdere pittenzakjes hebt. Laat de pittenzakjes (‘bean bags’) rondgaan in de kring, bijvoorbeeld met een muziekje erbij. Als de muziek stopt, gooien de leerlingen het pittenzakje op de flashcards en zeggen het woord waar de pittenzak op landt.

BEKIJK: FLASHCARDS SPELEN MET ENGELS

-Wrong or right?

Laat een flashcard zien. Als je het goede woord zegt, moeten de leerlingen staan(of 1x in hun handen klappen). Als je een fout woord zegt, blijven de leerlingen stil of moeten ze hun neus aanraken. Bijvoorbeeld: Bij een plaatje van een ´cat´ zeg je ´This is a dog´. Leerlingen raken hun neus aan, want het is fout. Plaatje van een ´cow´ en je zegt: ´This is a cow´. Leerlingen gaan staan, want het is goed.

-Where´s the card?

Leerlingen zitten in een kring. Jij geeft een aantal leerlingen een flashcard. Deze laten ze zien aan hun klasgenoten en jij (of de leerlingen zelf) benoemt het woord: ´Linda has an apple. Jeroen has a banana. John has an egg.´ etc. Vervolgens leggen de leerlingen de flashcard met het plaatje naar beneden op hun schoot. Jij roept: ´Start!´ en de leerlingen schuiven het kaartje door naar hun buurman en weer naar de volgende buurman enzovoort. Na een paar seconden roep je ´Stop!´ en dan stel je een vraag: ´Who has the apple now?´. Leerlingen mogen niet op hun flashcard kijken, maar moeten proberen te raden bij wie die flashcard nu is. Ze doen dit door de betreffende leerling aan te wijzen. Daarna draait iedereen zijn kaart om. Wie had het goed?

BESTEL: FLASHCARDS FOOD & DRINKS

 

Reacties zijn gesloten.

error: