Engels praten in de bovenbouw, deel 2

De volgende activiteiten zijn geschikt voor leerlingen in de bovenbouw die al Engels durven en kunnen praten:

Guess what?!

1. Kies een thema en laat de leerlingen ieder 5 woorden opschrijven die bij dat thema passen (meer of minder kan ook: ligt aan de tijd die je hebt).
2. Vertel de leerlingen welke zinnetjes ze kunnen gebruiken om voorwerpen te omschrijven. Zet de zinnen ook op het bord of geef elke leerling een blaadje met uitleg: ´It´s a thing which…. / You can use it for…. / You find this in…. / It´s the oppposite of…. etc.
3. De leerlingen mogen nu een paar minuten naar hun woorden kijken en bedenken hoe ze deze gaan omschrijven.
4. Leerlingen werken in tweetallen of groepjes van drie: de ene omschrijft, de ander raadt.

LEES OOK: ENGELS PRATEN, DEEL 1

Adjectives

identify feelings

1. Schrijf een aantal bijvoeglijke naamwoorden die bij ´gevoelens´ horen op het bord, bijvoorbeeld: happy, excited, sad, surprised, in love, angry, shy, silly etc.2. Laat de leerlingen 3 woorden kiezen (meer of minder kan ook: ligt aan de tijd die je hebt) en vraag aan hen of ze zich een moment kunnen herinneren waarop ze zich zo voelden.
3. Geef de leerlingen een paar minuten de tijd om te bedenken wanneer ze zich zo voelden en hoe ze dat gaan uitleggen aan hun klasgenootje.
4. Leerlingen werken in tweetallen: ze vertellen elkaar over de bijvoeglijke naamwoorden die ze hebben gekozen en wanneer ze zich zo voelden. Jij kunt rondlopen en begeleiden.

LEES OOK: ENGELS PRATEN, DEEL 3

Order the story

1. Vertel de leerlingen welke zinnetjes ze kunnen gebruiken om iets met elkaar te vergelijken: In my picture there are …  / In my story there is… / I think this is the first sentence… / I think this is the last picture… / then… / after… / what do you think? etc.raoul-tygo 2. Laat de leerlingen in tweetallen werken. Geef leerling A een gedeelte van een (strip)verhaal en leerling B het andere gedeelte. Als je voor een stripverhaal kiest, zorg dan voor minstens zes verschillende plaatjes. Er hoeft niet perse tekst op de staan. Als je voor een gewoon verhaal kiest, kies dan een kort verhaal en knip losse zinnetjes.
3. Geef de leerlingen de tijd om hun plaatjes of zinnetjes te bestuderen. Laat ze bedenken hoe ze dit gaan omschrijven of voorlezen aan hun klasgenootje. Hun klasgenootje mag het plaatje of zinnetje immers niet zien!
4. Leerlingen gaan vervolgens overleggen en samenwerken om het verhaal op goede volgorde te krijgen.

LEES OOK: TEKENEN & SPREEKVAARDIGHEID

Reacties zijn gesloten.

error: