3 werkvormen voor de bovenbouw

In dit blog deel ik drie werkvormen voor leerlingen die al Engels kunnen lezen en schrijven. Geschikt voor de bovenbouw, maar ook voor kinderen in groep 5/6 die al enkele jaren Engels hebben gehad.

Memory XL

Verdeel de klas in zes tot acht teams. Elk team heeft een ‘writer’. Leerlingen kunnen halverwege het spel wisselen van rol of bij een volgend spel wisselen van rol, zodat iedereen een keer ‘writer’ is.

Leg de flashcards of memorykaartjes met de afbeelding naar beneden op de grond, op een tafelgroepje of, indien mogelijk, laat ze op het digibord zien. Leg de kaarten in een vierkant of rechthoek en laat één leerling uit elk team (de ‘writer’) een schema of tabel tekenen dat overeenkomt met het aantal memorykaartjes. Je kunt de teams zo’n tabel ook van tevoren geven. Maak je bijvoorbeeld gebruik van 20 kaartjes? Dan krijgt ieder team een raster met twintig lege vakjes.

Om de beurt mogen de teams twee memorykaartjes omdraaien. Er wordt binnen het team overlegd wie de kaartjes mag omdraaien, maar je kunt ook als leerkracht steeds een leerling aanwijzen. Zijn het twee dezelfde kaartjes? Dan mag het team de set houden en is het volgende team aan de beurt. Zijn het twee verschillende? Dan mogen ze de woorden opschrijven in het betreffende vakje (overeenkomstig met hoe de kaartjes op de grond liggen). Ook dan is het volgende team aan de beurt. Let op: Alleen het team dat aan de beurt is, mag de woorden in hun raster opschrijven. De andere teams moeten het ‘gewoon’ onthouden.

Op deze manier werken de leerlingen goed samen: Ze overleggen, ze denken na over de afbeeldingen en ze schrijven de woorden op. De woorden in het raster worden bekeken en besproken voordat ze twee nieuwe kaarten omdraaien.

Kies een thema dat al bekend is bij de leerlingen, zodat ze plaatjes herkennen. De spelling van de woorden is niet belangrijk.

Variant:

De memoryspellen van Spelen met Engels bevatten 2x het plaatje en 1 x het woord. Je kunt het dus nog moeilijker maken door leerlingen setjes van drie kaarten bij elkaar te laten zoeken.

BESTEL: THEMAPAKKET SHOPS

Stepping stones

Dit spel kun je het beste buiten of in de gymzaal spelen. Je hebt een muntje nodig waarmee leerlingen kop (heads) of munt (tails) gaan gooien. Verdeel de klas in twee of drie teams en zorg voor twee of drie dezelfde sets flitskaartjes. Knip de woorden los van de plaatjes. Je kunt ook flashcards of memorykaartjes gebruiken, maar zorg ervoor dat je de plaatjes en woorden van elkaar scheidt.

Verspreid de kaarten met plaatjes over de grond, als een soort pad van stenen (zie afbeelding) en maak bijvoorbeeld ook twee of drie paden, zodat leerlingen kunnen kiezen welk pad ze gaan volgen. De paden moeten uiteindelijk wel weer bij elkaar komen.

Verspreid de kaarten met woorden ergens anders op de grond of hang ze aan de muur. Zorg dat iedereen de woorden kan lezen.

Van ieder team gaat er één leerling bij de start van het pad staan. Team 1 begint: Een teamlid gooit met de munt. Is het ‘heads’? Dan mag de leerling 1 stap vooruit. Is het ‘tails’? Dan mag de leerling twee stappen vooruit. De leerling óf de rest van het team mag nu het woord roepen en het bijbehorende woord aanwijzen. Is het goed? Dan mag de leerling blijven staan. Is het fout? Dan moet de leerling terug naar de plek waar hij eerst stond.

Daarna mag het volgende team de munt opgooien en gaat de leerling van dat team lopen. Het kan dan dus voorkomen dat ze op hetzelfde woord terecht komen.

Het team dat als eerste over de finish komt (dus de laatste kaart goed heeft benoemd) is het winnende team.

LEES OOK: SPELEND LEREN, 3 WERKVORMEN

Varianten:

  • Als je meerdere thema’s hebt behandeld, kun je ieder team ook een andere set flashcards geven. Dat scheelt lamineren en je kunt daarna de teams laten wisselen.
  • Zet een timer zodra een leerling op een flashcard staat. Leerlingen moeten binnen 10 seconden het juiste woord erbij hebben gevonden.
  • Maak er een fluisterspel van: De leerling die op de flashcard staat, fluistert het woord aan een klasgenoot en deze fluistert het weer aan een andere klasgenoot totdat het woord terecht komt bij de leerling die bij de woordkaarten staat. Het is dan wel leuker als deze leerling het pad met de flashcards niet kan zien.
  • Maak het voor bovenbouwleerlingen wat moeilijker door hen een zin te laten bedenken waarin het woord voorkomt.
  • Vervang de woordkaarten door zinnen met ‘gaten’. Op die lege plek moet het juiste woord komen te staan. De leerling die het pad bewandelt zegt het woord. De rest van het team zoekt een zin waarin dat woord goed past.

Bron: Cambridge Young Learners

BESTEL: E-BOOK FLASHCARD FUN!

Draw, write, read and guess

Maak groepjes van vier leerlingen en geef ze minimaal vier titels van Engelse leesteksten of berichten uit de krant / van internet.  Zonder dat ze het van elkaar weten kiezen de leerlingen een titel en maken hier een tekening bij. Het kan dus gebeuren dat er meerdere tekeningen bij één titel worden gemaakt. Zorg ervoor dat ze elkaars tekeningen niet kunnen zien, dat maakt het net iets spannender.

Als de tekeningen klaar zijn, schuiven ze die door naar de klasgenoot rechts van hen. Deze schrijft vervolgens een kort verhaal bij de tekening. Het gaat hierbij niet om de perfecte spelling, maar om creativiteit en een redelijk vloeiend Engels verhaaltje. Houd hierbij een maximum aantal woorden of zinnen aan, zodat het kort en krachtig blijft. Denk bijvoorbeeld aan vier of vijf zinnen.

Als iedereen een verhaaltje heeft geschreven, schuiven ze het verhaal + de tekening weer door naar de volgende klasgenoot aan de rechterkant. Deze leest het verhaal voor en laat de tekening zien. De 4e leerling mag nu raden welke titel erbij hoort. Elke leerling is dus één keer de ‘illustrator’, één keer de ‘writer, één keer de ‘reader’ en één keer de ‘guesser’. Je kunt het werkblad hieronder gratis downloaden.

DOWNLOAD WERKBLAD ‘DRAW – WRITE – READ – GUESS’