Spelletjes voor tussendoor, deel 2

In deze blog drie activiteiten die makkelijk uit te voeren zijn en goed van pas komen na een uurtje geconcentreerd werken. De activiteiten kunnen tijdens de Engelse les plaatsvinden, maar ook daarbuiten.

LEES OOK: SPELLETJES VOOR TUSSENDOOR, DEEL 1

1. Draw the word (midden- en bovenbouw)
Deze opdracht is makkelijk uit te voeren als je bezig bent het thema ´opposites´, maar kan ook gewoon een keer tussendoor. Bedoeld voor leerlingen die al Engels kunnen lezen. Geef iedere leerling een kaartje met een woord of laat ze zelf een woord uitkiezen: beautiful, ugly, high, low, fat, thin, slow, fast, big, small, scary, happy, hungry, sweet, rainy, sunny, strange, short, tall etc.

Geef ze een A-viertje en leg uit dat ze het woord straks gaan schrijven, maar tegelijkertijd ook tekenen. Laat ze nadenken over de betekenis van het woord: Heb je ´ugly´? Dan zullen de letters van het woord ´ugly´ er dus heel lelijk uit moeten komen te zien. Heb je ´rainy´? Dan kun je de letters van het woord uit de lucht laten vallen in verschillende kleuren blauw. Heb je ´scary´? Dan kun je spannende of hele spookachtige letters maken.

De betekenis van het woord wordt dus verwerkt in het schrijven van het woord, waardoor het een tekening wordt. Er mogen ook andere dingen bij getekend worden, als het woord zelf maar duidelijk zichtbaar is. De bedoeling is dat het hele A-viertje gebruikt wordt.

2. Make a sentence (bovenbouw)
Deze activiteit is leuk voor de midden- en bovenbouw, waarbij je in de bovenbouw al wat complexere zinnen kunt verwachten. De leerlingen mogen omstebeurt een woord zeggen (de leerkracht wijst steeds een leerling aan) om zo een zo lang mogelijke, grammaticaal correcte zin te maken. De leerkracht schrijft de woorden op het bord, zodat de leerlingen mee kunnen lezen.

Het is belangrijk om van tevoren te melden dat de zin grammaticaal moet kloppen en dat je geen rare of vieze woorden mag gebruiken. Er ontstaan op deze manier hele grappige en soms ook hele mooie zinnen met voegwoorden zoals and, or, but en because.

3. Change places if you… (onder-, midden- en bovenbouw)
Deze activiteit is prettig als de leerlingen zich langere tijd geconcentreerd hebben en toe zijn aan wat beweging. In de onderbouw kun je dit het beste in de kring uitvoeren, zodat je wat meer overzicht hebt. In de bovenbouw kunnen de leerlingen op hun eigen plek blijven zitten, maar dat geeft wel meer onrust.

De leerkracht geeft steeds een stelling, de leerlingen beslissen aan de hand daarvan of ze moeten wisselen van plek of niet. Bijvoorbeeld: ´Change places if you´re wearing blue´, ´Change places if you have one brother´, ´Change places if you have a red bike´, ´Change places if you like English´. Je kunt de stellingen zo moeilijk maken als je zelf wilt, afhankelijk van het niveau van jouw groep.

Om het makkelijker te maken voor leerlingen in de onderbouw, kun je ook werken met flashcards. Geef alle leerlingen een kaart, zodat ze dit al houvast hebben. Vervolgens geef je opdrachten: ´Change places if you´ve got blue in your picture´, ´Change places if you´ve got a wild animal´ etc.

Spreek vooraf duidelijke regels af: niet rennen, niet vechten om een stoel, niet op je eigen stoel terechtkomen als je moet wisselen. Als je de activiteit in de kring uitvoert, kun je ook 1 stoel minder neerzetten. De leerling die dan overblijft, gaat in het midden zitten en mag zelf een stelling bedenken.

LEES OOK: KLASSIKALE SPELLETJES

error: