Bewegend leren: 3 werkvormen

//Bewegend leren: 3 werkvormen

Bewegend leren: 3 werkvormen

Zoals je misschien inmiddels wel weet, ben ik groot voorstander van spelend en bewegend leren. Gelukkig kan dat met Engels heel goed! Hieronder lees je drie werkvormen die je in elke groep kunt toepassen.

  1. Are you singing my song?

Je hebt met jouw leerlingen vast al heel veel Engelse liedjes gezongen. Zeker in de onder- en middenbouw is dat een ideale manier om Engels te oefenen. Afhankelijk van de grootte van jouw groep en/of afhankelijk van hoeveel groepjes je wilt maken, kies je drie, vier of vijf liedjes. Deze liedjes fluister je in het oor van je leerlingen of je schrijft ze op een kaartje en geeft de leerlingen het kaartje.

Bekende liedjes zijn bijvoorbeeld: Happy birthday, The wheels on the bus, Old Mac Donald, If you´re  happy and you know it, Incy wincy spider, Five little monkeys, Twinkle twinkle little star, Row row row your boat &The farmer in the dell.

De kinderen gaan nu tegelijkertijd hun liedje zingen en rondlopen. Niet schrikken, want dat zorgt natuurlijk voor lawaai! Ze proberen klasgenootjes te vinden die hetzelfde liedje zingen. Als ze elkaar gevonden hebben (dat kunnen dus tweetallen zijn, maar ook een groepje van drie, vier of vijf) gaan ze zo stil mogelijk op de grond zitten. Als iedereen zit, kun je de volgende werkvorm uitleggen: Bijvoorbeeld een samenwerkingsopdracht binnen dat tweetal of groepje.

Tip: Zorg voor een belletje of eierwekker. Als er teveel lawaai onstaat, rinkel je met het belletje en vraag je of het wat zachter mag: `Please whisper your song as quietly as possible!´.

LEES OOK: LET´S MOVE

  1. One step forward

Kies tien tot vijftien leerlingen en zet ze op een rij. Dit kan bijvoorbeeld buiten of in het gymlokaal. Zorg voor voldoende flashcards van het thema dat je op dat moment aan het oefenen bent. Bijvoorbeeld ´vegetables´. Jij gaat voor de rij met leerlingen staan en houdt een kaart omhoog (begin met een makkelijk woord, zoals ´broccoli´). Als de leerlingen het Engelse woord denken te weten, doen ze één stap naar voren.

Check bij één van de leerlingen die naar voren is gestapt of ze daadwerkelijk het antwoord weten. Als de eerst gevraagde leerling het antwoord niet weet, moet hij terug naar achteren en vraag je een volgende leerling. Als het goede antwoord dan gegeven wordt, hoef je de rest van de leerlingen niet te vragen. Zij mogen blijven staan ongeacht of ze het antwoord daadwerkelijk weten.

Vervolgens houd je een nieuwe flashcard omhoog. Wederom mogen alle leerlingen die het woord denken te weten een stap naar voren doen. Ook de leerlingen die het eerste woord niet wisten. Ze mogen ook bluffen, want de kans bestaat dat je hen er niet uitpikt.

Steeds laat je een nieuwe flashcard zien, waarbij de woorden steeds moeilijker worden (potatoe, carrot, cauliflower, eggplant). Leerlingen doen een stap naar voren als ze het woord denken te weten. Jij checkt bij één of meerdere leerlingen of ze daadwerkelijk het antwoord weten. Zo ja: blijven staan. Zo nee: één stap terug.

Welke leerling komt het verst na tien woorden? En wist hij daadwerkelijk alle woorden of heeft hij ook een paar rondes gebluft? Een creatieve manier om de vocabulaire te oefenen.

Uiteraard kun je dit spel zo moeilijk maken als je zelf wilt: Jij geeft een zin en de leerling moet het kunnen afmaken, je stelt een vraag en de leerling moet het antwoord kunnen geven etc.

LEES OOK: FLASHCARDS DEEL 1

  1. The Chain reaction game 

Elke leerkracht kent het reactiespel wel: Een leerling voert pas een opdracht uit als een klasgenootje zijn / haar eigen opdracht heeft uitgevoerd. Zo volgen de leerlingen elkaar op. Dit kun je toepassen op verschillende thema´s, maar het is natuurlijk ook een goede manier om de kinderen even lekker te laten bewegen. Je kunt zo´n spel zelf maken, maar je kunt het jezelf ook gemakkelijk maken door het hieronder te downloaden (voor €1,00):

DOWNLOAD CHAIN REACTION GAME

Als je het zelf maakt, kun je kiezen voor opdrachten in de vorm van zinnetjes (geschikt voor de midden- en bovenbouw, want leerlingen moeten tenslotte Engels kunnen lezen), maar je kunt ook werken met plaatjes (flashcards). Kies dan een thema waar je op dat moment mee bezig bent. Geef elke leerling een kaartje met twee plaatjes. Links op het kaartje staat het woord dat een ander klasgenootje zegt, rechts staat het woord dat de leerling zelf zegt. Dus bijvoorbeeld: ´When you hear the word ´hamster´, you say ´snake´´ of ´When you hear ´dog´, you say ´turtle´´.

Veel plezier met deze werkvormen en laat gerust een reactie achter als je ze hebt ´uitgeprobeerd´ met jouw leerlingen!

 

2018-10-19T07:04:44+00:00
error: