Flashcards (deel 4)

Flashcards (deel 4)

Dit is deel 4 in de serie ´Activiteiten met flashcards´. Engelse woordjes oefenen en leren, kun je het beste spelenderwijs doen. In deze blog vind je wederom vijf werkvormen voor in je Engelse les. Zoek je nog meer werkvormen met flashcards? Lees dan ook deel 1, deel 2 en deel 3.

 -What´s missing?
Met flashcards kun je verschillende spelletjes spelen om de woorden bij een bepaald thema te oefenen. Zo speel ik regelmatig ´What´s missing?´, waarbij ik een aantal flashcards neerleg en er 1 of 2 (en soms zelfs 3) weghaal. De leerlingen moeten dan raden welke er weg zijn.

Dit kan natuurlijk klassikaal (bijvoorbeeld in de kring of met kaarten op het digibord), maar ook in groepjes. Je geeft elk groepje dan een aantal kaartjes en om de beurt mag een leerling een kaart weghalen. De anderen raden welke kaart er weg is.

Deze werkvorm hoef je niet te beperken tot woorden die bij een thema passen. Je kunt het ook goed gebruiken bij een liedje of versje. Hang de woorden op en haal er twee of drie weg. Luister vervolgens naar het liedje en vraag aan de leerlingen welke woorden er ontbreken.

-Listen to the story
Geef alle leerlingen een flashcard m.b.t. het thema waar je op dat moment mee bezig bent. Je kunt elke leerling een ander woord / plaatje geven, maar dat is bij grote groepen best lastig. Meerdere leerlingen met hetzelfde woord of plaatje is ook prima.

Vertel een zelfverzonnen verhaaltje waarin alle woorden voorkomen die je zojuist hebt uitgedeeld. Om te voorkomen dat je een aantal woorden vergeet, is het handig om dit van tevoren op te schrijven zodat je het kunt voorlezen.

Zeg tegen je leerlingen dat ze goed moeten opletten tijdens het verhaaltje en geef ze een opdracht. Bijvoorbeeld: ´If you hear your word, stand up´ of ´If you hear your word, hold your card up high´ of ´If you hear your word, put your card on the floor´. Vervolgens lees je je zelfverzonnen verhaaltje voor en zullen de leerlingen heel aandachtig luisteren.

´My house is really beautiful. It has a big garden with one tree. Downstairs, there is a kitchen and a living room. The living room is bigger than the kitchen. We also have a toilet downstairs. When you go upstairs, you will find the bedrooms. One bedroom has a grey wall and two windows. Another bedroom is pretty small, but it has a sink and a small window.´ etc etc 

-Listen & point
Leg tien flashcards op de grond in de kring of hang ze in het lokaal. Zorg ervoor dat de leerlingen de woorden al een aantal keer hebben gehoord en geoefend. Twijfel je of ze de woordjes nog weten? Benoem ze dan één voor één terwijl je ze neerlegt of ophangt.

Jij gaat de woorden omschrijven. Bijvoorbeeld: ´It is grey, it is big and it has a trunk´. De leerlingen wijzen vervolgens naar het juiste plaatje of lopen er naartoe (elephant). Je kunt ook een gevorderde leerling een woord laten omschrijven.

Heb je meerdere kaartjes van hetzelfde woord? Dan kun je deze werkvorm ook in groepjes spelen. Leg de kaarten verspreid over een tafelgroepje. Jij omschrijft een woord en de leerlingen wijzen naar het woord of mogen de kaart snel pakken (benadruk dan wel op dat het niet om het winnen gaat, maar om het leren van Engels!). Ook in deze variant kunnen de leerlingen natuurlijk zelf ook de woorden omschrijven.

Is het omschrijven van woorden nog te moeilijk? Zeg dan gewoon het woord (of een kort zinnetje waarin het woord voorkomt) en laat de leerlingen naar het juiste plaatje wijzen of lopen. Wil je liever niet dat de hele klas gaat lopen? Wijs dan steeds twee tot vier leerlingen aan.

-Cross the river
Leg 3 keer tien flashcards op de grond en verdeel de klas in drie teams. De flashcards zijn de stenen in een rivier. Leerlingen moeten omdebeurt op de flashcards stappen en tegelijkertijd het woord zeggen. Weten ze een woord niet? Dan zijn ze af en mag de volgende leerling. Hoe later je aan de beurt bent, hoe groter de kans dat je helemaal kunt oversteken, omdat je hebt kunnen luisteren naar je klasgenoten. De leerlingen die af zijn, mogen het later nogmaals proberen, zodat uiteindelijk het hele team aan de overkant is.

Het is dus de bedoeling dat iedereen oversteekt door de tien juiste woorden te benoemen. Leerlingen mogen elkaar niet voorzeggen. Als leerkracht kun je kijken of er eerlijk gespeeld wordt en checken welke leerlingen nog moeite hebben met de vocabulaire.

-Pass it on
Maak een kring met de leerlingen (staand of zittend). Geef een flashcard aan de eerste leerling en zeg het woord of een zinnetje. Bijvoorbeeld ´Broccoli´, ´This is broccoli´of ´I like broccoli´. Deze leerling geeft de flashcard door aan zijn buurman en zegt hetzelfde woord / zinnetje. Deze leerling geeft de kaart ook weer door etc.

Ondertussen geef jij een nieuwe flashcard aan de eerste leerling, met daarbij een nieuw woord of zinnetje: ´This is spaghetti´. De leerling geeft de kaart weer door en herhaalt de zin. Zo komen er dus meerdere flashcards in de kring en krijgen leerlingen steeds een kaart die ze moeten benoemen en doorgeven.

Begin eerst langzaam met slechts een paar kaarten. Als de leerlingen het eenmaal doorhebben (of als je het vaker hebt gespeeld), kun je het aantal flashcards en het tempo opvoeren. Ook kun je dan flashcards de andere kant op laten gaan, zodat er kaarten rouleren in beide richtingen. Een leuke uitdaging!

2018-01-04T17:55:47+00:00